Satire III

(Satire, Latijns/Romeins, ca. 110 n.Chr., 322 regels)

Inleiding

“Satire III” (“Satura III”) is een verssatire van de Romeinse satirische dichter Juvenalis, geschreven rond 110 n.Chr. of later. Het gedicht is een monoloog van een vriend van Juvenalis genaamd Umbricius, die Rome verlaat voor een beter leven op het platteland, en die alle redenen opsomt waarom Rome een ondragelijke plek is geworden om te wonen. Het is misschien wel de beroemdste van Juvenalis’ zestien Satiren.

Samenvatting

Juvenalis, Romeins satirisch dichter

Juvenalis, Romeins satirisch dichter

In de proloog richt de dichter zich in de eerste persoon tot zijn publiek en legt uit dat zijn vriend Umbricius, die hij voor het laatst ontmoet aan de rand van de stad Rome, op het punt staat Rome te verlaten voor een beter leven op het platteland, een besluit dat Juvenalis van harte goedkeurt. De dichter voegt zich vervolgens bij het publiek terwijl Umbricius, een trouwe Romeinse burger die zijn vaderland niet langer kan verdragen, vrijuit spreekt in een uitgebreide monoloog.

Op weg naar Cumae vertelt Umbricius de redenen waarom hij uit Rome is verdreven: dat er geen plaats meer is voor eerlijke mannen, alleen leugenaars en armoedzaaiers; dat de enige manier om de bescherming van grote mannen te verwerven is hun schuldige geheimen te kennen; dat Grieken en Syriërs (die bereid zijn te liegen en te bedriegen en alles te doen wat nodig is) de geboren Romeinen beginnen te verdringen uit hun banen; dat alleen rijke mannen op hun eed worden geloofd; dat de armen worden verdreven van hun plaatsen in het theater; dat hij nooit kan hopen een erfgename te trouwen of een legaat te ontvangen; dat de kosten in Rome te hoog zijn en de levensstijl te pretentieus; dat er een constant gevaar is van branden of instortende huizen; dat de lawaaierige en drukke straten slaap onmogelijk maken; dat de armen op straat worden ruw bejegend, terwijl de rijken veilig door de straten worden gedragen in draagstoelen; en dat er een voortdurend gevaar is van voorwerpen die uit ramen worden gegooid, evenals van herrieschoppers, inbrekers en bandieten.

Umbricius smeekt Juvenalis hem in Cumae te bezoeken wanneer hij zijn geboorteplaats Aquinum bezoekt, en belooft hem te steunen bij eventuele pogingen tot politieke hervorming die Juvenalis zou ondernemen.

Analyse

Illustratie bij scènes uit Juvenalis' Satire III

Illustratie bij scènes uit Juvenalis' Satire III

Juvenalis wordt zestien bekende gedichten toegeschreven, verdeeld over vijf boeken, alle in het Romeinse genre van de satire, dat in zijn meest basale vorm in de tijd van de auteur een breed opgezette bespreking van de samenleving en maatschappelijke zeden omvatte, geschreven in dactylische hexameters. Romeinse vers- (in tegenstelling tot proza-) satire wordt vaak Luciliaanse satire genoemd, naar Lucilius die algemeen wordt beschouwd als de grondlegger van het genre.

In een toon en wijze variërend van ironie tot schijnbare woede bekritiseert Juvenalis de handelingen en overtuigingen van veel van zijn tijdgenoten, en biedt daarmee meer inzicht in waardensystemen en vragen over moraliteit dan in de werkelijkheid van het Romeinse dagelijks leven. De scènes in zijn tekst zijn zeer levendig, vaak schril, hoewel Juvenalis minder vaak openlijke obsceniteit gebruikt dan Martialis of Catullus.

Hij verwijst voortdurend naar de geschiedenis en de mythologie als bron van leerzame voorbeelden of modellen van specifieke ondeugden en deugden. Deze zijdelingse verwijzingen, gecombineerd met zijn compact en elliptisch Latijn, geven aan dat Juvenalis’ beoogde lezer de hoogopgeleide bovenlaag van de Romeinse elite was, voornamelijk volwassen mannen met een meer conservatieve maatschappelijke instelling.

Bronnen

Aangemaakt:25 oktober 2024

Gewijzigd:23 december 2024