Catullus 107 Vertaling
Inleiding In gedicht 107 spreekt de dichter over zijn fortuin in het leven in relatie tot Lesbia, zijn geliefde. In regel een en twee vertelt hij hoe het ware genoegen van de geest is om nooit te hopen of hartstochtelijk lief te hebben. In regel drie vertelt hij hoe nooit verlangen of hopen kostbaarder is dan goud. Maar in regel vier vraagt hij Lesbia zich aan hem terug te geven, want hij verlangde naar haar. In regel vijf deelt hij mee dat hij verlangde, maar nooit hoopte. En in regel zes zou hij de mooiste dag hebben als zij terugkeerde.
In de laatste twee regels spreekt Catullus over hoe niemand gelukkiger is dan hij. Maar hij doet het op een omslachtige manier. In het gedicht verwijst Catullus naar enkele kleuren, in het bijzonder goud en wit. Hij gebruikt “het wittere merkteken!” om te beschrijven hoe gelukkig hij is. Vervolgens speelt hij met het woord door te verwijzen naar een ongelukkige, iemand die het noodlot niet gunstig gezind is. Het wittere merkteken zou een helder teken kunnen zijn, in tegenstelling tot een donker teken, wat een smet zou zijn. Maar de verwijzing naar een ongelukkige zou naar hemzelf kunnen verwijzen toen Lesbia hem verliet of bedroog. Hij heeft niet altijd het beste geluk met haar gehad, ondanks zijn sterke gevoelens voor haar.
Zijn ideeen over verlangen en hopen zijn ongebruikelijk. Het lijkt erop dat de geest enig genoegen vindt in het hopen, meer nog dan in het verlangen. Verlangen leidt vaak tot pijn, maar de hoop is eeuwig. In de gedichten over Lesbia lijkt Catullus naar haar te verlangen, maar ook te hopen dat ze eindelijk aandacht aan hem zal besteden. Maar hij vertelt hoe zijn genoegen in verlangen en hopen waardevoller is dan goud. Hij wil haar gewoon terug, zodat hij niet langer ongelukkig hoeft te zijn.
Carmen 107
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | SI quicquam cupido optantique optigit umquam | ALS ooit iets geschiedde aan iemand die vurig verlangde |
| 2 | insperanti, hoc est gratum animo proprie. | en nooit hoopte, dan is dat een waar genoegen voor de geest. |
| 3 | quare hoc est gratum nobis quoque carius auro | En zo is ook voor mij dit genoegen kostbaarder dan goud, |
| 4 | quod te restituis, Lesbia, mi cupido. | dat jij, Lesbia, jezelf teruggeeft aan mij die naar je verlangde, |
| 5 | restituis cupido atque insperanti, ipsa refers te | teruggeeft aan mij die verlangde, maar nooit hoopte — ja, jij zelf geeft jezelf terug |
| 6 | nobis. o lucem candidiore nota! | aan mij. O gelukkige dag, gezegend met het wittere merkteken! |
| 7 | quis me uno uiuit felicior aut magis hac est | Welke sterveling leeft gelukkiger dan ik; of wie kan zeggen |
| 8 | optandus uita dicere quis poterit? | dat enig fortuin in het leven begeerlijker is dan dit? |
