Catullus 109 Vertaling
Inleiding
Catullus 109 is een eerlijk liefdesgedicht aan een naamloze persoon. Hoogstwaarschijnlijk is die persoon Lesbia, de vrouw die hij in een groot deel van zijn gedichten aanspreekt. In 109 vertelt de dichter hoe zij beloofde dat hun liefde gelukkig zal zijn en een eeuwigheid zal duren, in de eerste twee regels.
In de derde en vierde regel vraagt hij de goden om haar te helpen haar belofte na te komen. Hij hoopt dat ze belooft hem vanuit haar hart lief te hebben. In regel vijf en zes wil hij dat haar belofte zich uitstrekt over hun hele leven en een “eeuwig verbond van geheiligde vriendschap” wordt.
Dit gedicht is hoopvol, vooral gezien andere gedichten waarin hij tekeergaat tegen haar onvermogen om hem trouw te blijven. Bedenk dat wanneer zij bij Catullus is, zij haar echtgenoot bedriegt, wat zeker laat zien dat ze niet in staat is om aan een man trouw te zijn. Ondanks haar herhaalde ontrouw blijft Catullus hoopvol dat hij de enige man voor haar zal zijn.
Dit is ironisch gezien het feit dat hij in gedichten als 11 haat jegens haar toont en haar ervan beschuldigt seks te hebben met 300 mannen tegelijk. Duidelijk is dat Catullus’ relatie met Lesbia dramatisch en gecompliceerd is.
In verschillende gedichten spreekt Catullus over zijn vriendschap met Lesbia. Hij lijkt haar minnaar en haar vriend te willen zijn. Maar in andere gedichten over haar vraagt hij zich af of hij romantisch van haar kan houden en tegelijkertijd bevriend met haar kan zijn. In 72 vertelt hij hoe hij vroeger onvoorwaardelijk van haar hield, zoals een vader van zijn zonen houdt. Maar zijn liefde voor haar is geevolueerd tot een romantische liefde die die onvoorwaardelijkheid mist.
Catullus weet dat Lesbia heeft beloofd hem voor altijd lief te hebben, maar hem eerder heeft teleurgesteld. Hoewel hij het niet in 109 zegt, weten lezers van de dichter dat zijn hoop in andere gedichten zal worden verbrijzeld.
Carmen 109
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | IVCVNDVM, mea uita, mihi proponis amorem | Jij belooft mij, mijn leven, dat deze liefde van ons |
| 2 | hunc nostrum inter nos perpetuumque fore. | gelukkig zal zijn en voor eeuwig tussen ons zal duren. |
| 3 | di magni, facite ut uere promittere possit, | Grote goden, geef dat zij deze belofte waarlijk kan nakomen, |
| 4 | atque id sincere dicat et ex animo, | en dat zij het oprecht zegt en vanuit haar hart, |
| 5 | ut liceat nobis tota perducere uita | zodat het ons vergund mag zijn ons hele leven lang voort te zetten |
| 6 | aeternum hoc sanctae foedus amicitiae. | dit eeuwig verbond van geheiligde vriendschap. |
