Catullus 11 Vertaling
Inleiding
In gedicht 11 verwijst Catullus naar verschillende toespelingen op plaatsen en personen uit de antieke wereld — tijdgenoten van de dichter. Aan het begin van het gedicht roept Catullus Furius en Aurelius op. Furius zou een mededichter kunnen zijn, Marcus Furius Bibaculus, maar de identiteit van Aurelius blijft onbekend. Deze mannen zullen Catullus vergezellen op zijn mogelijke reizen naar plaatsen als India, de Rijn, de Nijl of Arabie.
Catullus en zijn vrienden gaan naar geen van deze plaatsen. Het enige wat hij van hen wil is dat ze een boodschap aan Lesbia bezorgen, zijn minnares. Deze boodschap luidt dat ze maar moet leven met haar 300 minnaars die “ze allemaal tegelijk in haar armen houdt” terwijl ze “de dijen van elke man doet barsten.” In andere vertalingen worden dijen vervangen door liezen.
Catullus besluit het gedicht door zichzelf te vergelijken met een bloem die door een ploeg is geveld. Het lijkt erop dat zijn liefde hem heeft vertoornd doordat ze seks heeft gehad met minstens een andere man. Catullus heeft zijn gedicht gevuld met hyperbool, want het is onwaarschijnlijk dat Lesbia met 300 mannen tegelijk is. En hoewel hij zich misschien als een platgedrukte bloem voelt, is hij verre van breekbaar als een bloem. Sterker nog, door dit gedicht slaat hij terug naar Lesbia met woorden die duizenden jaren hebben standgehouden.
In andere vertalingen hebben de gebruikte woorden meer seksuele connotaties. In deze vertaling en andere gebruikt Catullus woorden als binnendringen, geslagen en sjokken. Deze dubbelzinnigheden tonen Catullus’ woede. In typische Catullus-stijl schrijft hij met zijn tweeledige stijl door te zeggen “En laat haar niet verwachten mijn liefde te vinden als voorheen; mijn liefde die door haar schuld is gevallen.” Deze regels lijken bijna zachtaardig vergeleken met de manier waarop hij van plan is India binnen te dringen of over de Alpen te sjokken.
Als dit gedicht gaat over de manier waarop Lesbia vreemdgaat, zou Catullus een vergelijking kunnen maken tussen haar veroveringen en die van het Romeinse leger. Zoals de Romeinen honderden volkeren van India tot Britannie binnenvielen en versloegen, deed Lesbia dat in zekere zin ook. In Catullus’ ogen hebben honderden mannen haar binnengedrongen. De Romeinen zijn een oorlogsmachine en Lesbia is een seksmachine.
Catullus is misbruikt door Lesbia. Daarom kan hij zich verplaatsen in de mensen die een nederlaag leden door toedoen van de Romeinen. Hij mag dan een man zijn die tot de welgestelde klasse behoort, maar zij behandelt hem niet beter dan een afgedankte bloem die door een ploeg is gebroken. Catullus gelooft dat Lesbia in het gedicht niet beter is dan een hoer, vooral gezien het feit dat hij denkt dat ze seks heeft met 300 mannen tegelijk.
Hoewel Catullus’ gevoelens over Lesbia duidelijk zijn in dit gedicht, zijn zijn gevoelens over Furius en Aurelius dat niet. Ze mogen dan met hem meereizen, maar aangezien Catullus zijn vermeende reizen gebruikt als metafoor voor Lesbia’s seksuele veroveringen, hoeft het betrekken van Furius en Aurelius niet per se positieve connotaties te hebben. Als zij zich bij hem voegen, worden zij dan ook geslagen en vertrapt? Vrienden worden vaak gevraagd boodschappen over te brengen, maar deze vrienden wordt niet gevraagd een vriendelijke boodschap over te brengen. Catullus verwijst in andere gedichten naar deze mannen en in alle worden zij belachelijk gemaakt of seksueel misbruikt.
In de Nederlandse vertaling verwijst Catullus naar deze mannen als vrienden, maar het woord vrienden komt niet voor in de Latijnse versie. In plaats daarvan worden zij aangeduid als comites, wat verschilt van de term sodales, waarmee Catullus zijn werkelijke vrienden aanduidt. Catullus zou zijn echte vrienden niet vragen de boodschap aan Lesbia te bezorgen; zij zouden het niet verdienen haar toorn te moeten aanhoren.
Carmen 11
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | FVRI et Aureli comites Catulli, | Furius en Aurelius, reisgenoten van Catullus, |
| 2 | siue in extremos penetrabit Indos, | of hij nu doordringt tot het verre India, |
| 3 | litus ut longe resonante Eoa | waar de kust wordt gebeukt door de verwekkende |
| 4 | tunditur unda, | oostelijke golf, |
| 5 | siue in Hyrcanos Arabesue molles, | of naar Hyrcanie en het zachte Arabie, |
| 6 | seu Sagas sagittiferosue Parthos, | of naar de Sacae en de pijldragende Parthen, |
| 7 | siue quae septemgeminus colorat | of die vlakten die de zevenarmige Nijl |
| 8 | aequora Nilus, | kleurt met zijn vloed, |
| 9 | siue trans altas gradietur Alpes, | of dat hij over de hoge Alpen sjouwt, |
| 10 | Caesaris uisens monimenta magni, | om de gedenkstukken van de grote Caesar te bezichtigen, |
| 11 | Gallicum Rhenum horribile aequor ulti- | de Gallische Rijn, de geduchte Britten, |
| 12 | mosque Britannos, | de verst verwijderde der mensen, |
| 13 | omnia haec, quaecumque feret uoluntas | O, mijn vrienden, bereid als jullie zijn al deze gevaren met mij te trotseren, |
| 14 | caelitum, temptare simul parati, | wat de wil der hemelse goden ook moge brengen, |
| 15 | pauca nuntiate meae puellae | breng een boodschap, geen vriendelijke boodschap, |
| 16 | non bona dicta. | aan mijn minnares. |
| 17 | cum suis uiuat ualeatque moechis, | Laat haar leven en gelukkig zijn met haar minnaars, |
| 18 | quos simul complexa tenet trecentos, | driehonderd tegelijk houdt zij in haar armen, |
| 19 | nullum amans uere, sed identidem omnium | geen van hen werkelijk beminnend, maar keer op keer |
| 20 | ilia rumpens; | de dijen van elke man doend barsten. |
| 21 | nec meum respectet, ut ante, amorem, | En laat haar niet verwachten mijn liefde te vinden als voorheen; |
| 22 | qui illius culpa cecidit uelut prati | mijn liefde die door haar schuld is gevallen |
| 23 | ultimi flos, praetereunte postquam | als een bloem aan de rand van de weide wanneer zij is geraakt |
| 24 | tactus aratro est. | door de voorbijgaande ploeg. |
