Catullus 114 Vertaling
Inleiding
In Catullus 114 richt de dichter zijn pijlen op een man genaamd Mentula, die in werkelijkheid Mamurra is. Deze man diende Caesar en Pompeius en had een groot landgoed op de Caeliusheuvel dat hij Firmum noemde. Door Mamurra als Mentula aan te duiden, kan Catullus hem Meneer de Penis noemen, want dat is wat een Mentula is.
Volgens het gedicht was Mamurra’s landgoed gevuld met fraaie zaken. Terwijl hij die zaken beschreef, wist Catullus met woorden te spelen. In regel drie verwijst de dichter naar “vis, weiland, akkerland en wild.” Maar hij verwijst ook naar “vogelvangst van allerlei soort” - wat het woordspel is. Enerzijds kan vogelvangst van allerlei soort een verscheidenheid aan vogels zijn. Het kan ook een verwijzing zijn naar hoe Mamurra erin is geslaagd te vernietigen wat hij heeft gecreeerd, wat duidelijk wordt in regel vier.
Catullus zegt dat Mamurra al deze fraaie zaken bezit, maar ze niet in zijn voordeel gebruikt. In regel vier deelt Catullus mee dat Mamurra meer uitgeeft dan hij verdient op het land. In regel vijf is hij rijk, maar ontbreekt het hem aan alles. Catullus sluit het gedicht af door te vragen Mamurra’s landgoed te bewonderen, maar alleen als Mamurra zelf “gebrek lijdt.”
Mamurra beseft waarschijnlijk niet hoe goed hij het heeft, en hij weet niet hoe hij voor zijn rijkdom moet zorgen. Er zit een dubbele betekenis in het feit dat Meneer de Penis Firmum bezit, aangezien Firmum klinkt alsof het hard is - mogelijk opgericht, als een penis. Hij klinkt als een man die Catullus niet zou respecteren vanwege zijn gebrek aan zorg voor zijn land en bezittingen. Het is een ding om er rijk uit te zien, maar Mamurra kan zijn rijkdom niet waarmaken.
Als vriend van Pompeius en Caesar zou Catullus Mamurra herkennen als een oplichter die misschien een goede show opvoert, maar niets van waarde kan leveren om het te onderbouwen.
Carmen 114
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | FIRMANVS saltu non falso Mentula diues | Meneer de Penis wordt terecht rijk genoemd in het bezit van het landgoed bij Firmum, |
| 2 | fertur, qui tot res in se habet egregias, | dat zoveel fraaie zaken bevat, |
| 3 | aucupium omne genus, piscis, prata, arua ferasque. | vogelvangst van allerlei soort, vis, weiland, akkerland en wild. |
| 4 | nequiquam: fructus sumptibus exsuperat. | Alles tevergeefs; hij overtreft de opbrengst ervan met zijn uitgaven. |
| 5 | quare concedo sit diues, dum omnia desint. | Dus ik geef toe dat hij rijk is, als je toestaat dat het hem aan alles ontbreekt. |
| 6 | saltum laudemus, dum modo ipse egeat. | Laten we de voordelen van zijn landgoed bewonderen, zolang hijzelf maar gebrek lijdt. |
