Catullus 17 Vertaling
Inleiding
In dit ongebruikelijke gedicht verwijst Catullus naar een vrouw genaamd Colonia. Deze vrouw wenst een brug te hebben om spelletjes op te spelen, maar ze vreest dat de brug te gammel is om ervan te kunnen genieten. Er zit een seksuele toespeling in dit gedicht, aangezien de brug een metafoor zou kunnen zijn voor een man die de seksuele verlangens van Colonia niet kan ondersteunen.
Deze metafoor komt later in het gedicht tot leven wanneer Catullus schrijft over een stadsbewoner die een jonge vrouw als echtgenote heeft. De oude stadsbewoner weet niet hoe hij de vrouw moet bevredigen en vreest van de brug in de modder te vallen. Hij probeert haar niet eens te bevredigen; hij ligt er maar bij als een els, gekapt door een bijl (regels 18 en 19).
Dus wat moet Colonia doen? In regels vijf tot en met zeven wenst Catullus dat ze een goede brug krijgt die haar verlangen zal bevredigen. De brug moet sterk genoeg zijn voor Salisubsilus om zijn rituelen uit te voeren. Catullus zal de brug verschaffen als Colonia hem het geschenk van het lachen schenkt. De rituelen van Salisubsilus zijn niet goed bekend, maar de cultgod stond erom bekend rijkdommen aan mensen te schenken wanneer ze het het minst verwachtten. Salisubsilus was verbonden met de bevolking van Verona, Italie.
In regel acht verlegt Catullus zijn aandacht van Colonia naar een stadsbewoner. Catullus wenst dat deze stadsbewoner van de brug zou vallen. In regels 10 en 11 hoopt Catullus dat de brug over de “zwartste en diepste kuil” hangt die gevuld is met een “stinkend moeras.” Catullus noemt de man vervolgens een volslagen domkop die geen greintje verstand heeft. Hij gebruikt de vergelijking met een baby van twee jaar.
Catullus’ vermogen om mensen te beschrijven is in dit gedicht volop te zien. De vrouw van de stadsbewoner, die Catullus beschrijft als een geitje, is zo prachtig dat ze zorgvuldiger bewaakt zou moeten worden dan de rijpste druiven. Dit gedicht zit vol unieke vergelijkingen die Catullus’ taalvaardigheid tonen.
Catullus gelooft niet dat de stadsbewoner zijn jonge vrouw waard is. De stadsbewoner laat haar spelen zoals ze wil en het kan hem helemaal niets schelen. Hij doet alsof ze niet eens bestaat. Iets moois negeren gaat in tegen alles waar Catullus in gelooft, aangezien hij veelvuldig schrijft over schoonheid in mensen en plaatsen. In Catullus’ ogen zou deze man zijn leven moeten beeindigen door van een brug te springen, vooral omdat de man zijn gezegende leven niet ten volle leeft.
Carmen 17
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | O Colonia, quae cupis ponte ludere longo, | O Colonia, jij die wenst een lange brug te hebben voor je spelen, |
| 2 | et salire paratum habes, sed uereris inepta | en helemaal klaar bent om te dansen, maar vreest voor de wankele |
| 3 | crura ponticuli axulis stantis in rediuiuis, | poten van je bruggetje, dat staat op oude opgelapte palen, |
| 4 | ne supinus eat cauaque in palude recumbat: | uit angst dat het voorover zou vallen en wegzinken in de diepte van het moeras; |
| 5 | sic tibi bonus ex tua pons libidine fiat, | moge je een goede brug krijgen naar je verlangen, |
| 6 | in quo uel Salisubsali sacra suscipiantur, | een brug waarop zelfs de rituelen van Salisubsilus uitgevoerd kunnen worden, |
| 7 | munus hoc mihi maximi da, Colonia, risus. | op voorwaarde dat je mij dit geschenk geeft, Colonia, om mij het hardst te laten lachen. |
| 8 | quendam municipem meum de tuo uolo ponte | Er is een stadgenoot van mij die ik van je brug wil zien tuimelen |
| 9 | ire praecipitem in lutum per caputque pedesque, | hals over kop in de modder, |
| 10 | uerum totius ut lacus putidaeque paludis | maar dan wel waar de zwartste en diepste kuil is |
| 11 | liuidissima maximeque est profunda uorago. | van het hele moeras met zijn stinkende drasland. |
| 12 | insulsissimus est homo, nec sapit pueri instar | De kerel is een volslagen domkop, en heeft niet meer verstand dan een baby |
| 13 | bimuli tremula patris dormientis in ulna. | van twee jaar die slaapt in de wiegende armen van zijn vader. |
| 14 | cui cum sit uiridissimo nupta flore puella | Hij heeft als vrouw een meisje in de friste bloei van haar jeugd, |
| 15 | et puella tenellulo delicatior haedo, | een meisje bovendien, verfijnder dan een teder geitje, |
| 16 | adseruanda nigerrimis diligentius uuis, | dat zorgvuldiger bewaakt zou moeten worden dan de rijpste druiven, |
| 17 | ludere hanc sinit ut lubet, nec pili facit uni, | en hij laat haar spelen zoals ze wil, en het kan hem geen zier schelen, |
| 18 | nec se subleuat ex sua parte, sed uelut alnus | en van zijn kant verroert hij zich niet, maar ligt er bij als een els |
| 19 | in fossa Liguri iacet suppernata securi, | in een greppel, lamgelegd door een Ligurische bijl, |
| 20 | tantundem omnia sentiens quam si nulla sit usquam; | met evenveel bewustzijn van alles alsof het nergens bestond. |
| 21 | talis iste meus stupor nil uidet, nihil audit, | Zo ziet mijn domoor niets, hoort niets; |
| 22 | ipse qui sit, utrum sit an non sit, id quoque nescit. | wie hijzelf is, of hij bestaat of niet, zelfs dat weet hij niet. |
| 23 | nunc eum uolo de tuo ponte mittere pronum, | Het is deze man die ik nu voorover van je brug wil laten storten, |
| 24 | si pote stolidum repente excitare ueternum, | om te zien of hij in een keer zijn stomme sluimer kan afschudden, |
| 25 | et supinum animum in graui derelinquere caeno, | en zijn lome geest daar achterlaten in het smerige slijk, |
| 26 | ferream ut soleam tenaci in uoragine mula. | zoals een muilezel haar ijzeren hoefijzer achterlaat in de kleverige modder. |
