Catullus 23 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht richt Catullus zich rechtstreeks tot Furius, die een andere dichter in zijn sociale kring is. Furius heeft mogelijk een affaire gehad met Catullus’ mannelijke minnaar, Juventius. Hij zou de man kunnen zijn naar wie wordt verwezen als de andere man in gedicht nummer 24.
In de eerste regel beschuldigt Catullus Furius ervan geen slaven of geldkist te hebben. Hij heeft zelfs geen wants, spin of vuur. Hij heeft wel een vader en stiefmoeder. Catullus verwijst naar Furius’ tanden in regel vier en zegt dat ze een vuursteen kunnen vermalen. In regels vijf en zes zegt Catullus dat Furius en zijn vader beiden genieten van de vrouw van de vader, waarbij hij Furius’ penis een droge stok noemt. Hij gebruikt de droge stok om van de moeder te genieten.
Vervolgens, in de volgende vijf regels (7-11), schrijft Catullus over Furius’ gezondheid en honger. Hij schrijft over Furius’ spijsvertering en dat hij nergens bang voor hoeft te zijn. Hij vertelt hoe zijn gezondheid hem tegen alles beschermt, inclusief vergiftigingsplannen.
In regels 12 en 13 geeft Catullus commentaar op Furius’ droogheid. Hij beschrijft hem in een vergelijking met een droge hoorn. Vervolgens gebruikt hij hyperbool door te zeggen dat hij droger is dan wat dan ook dat droog is. In regel 14 leren we dat de droogheid komt door vasten en blootstelling aan kou en zon. Vervolgens vraagt Catullus in regel 15 hoe Furius anders zo gezond en welvarend zou kunnen zijn. Dit gaat in tegen de eerste bewering dat Furius geen geld of bedienden heeft.
In regels 16 en 17 legt Catullus uit dat Furius geen vocht heeft - geen zweet, speeksel of loopneus. In regel 18 schrijft Catullus over hoe schoon hij is. Vervolgens leren we in regels 19 en 20 dat Furius’ anus schoon en zuiver is omdat hij slechts 10 keer per jaar ontlasting heeft. Catullus besteedt dan de volgende drie regels aan commentaar op de kwaliteit van Furius’ uitwerpselen - dat het hard en schoon is. In regel 23 zegt Catullus dat het afval niet eens zijn vinger zou bevuilen.
In de laatste vier regels vertelt Catullus Furius dat hij zijn zegeningen hoog moet waarderen. Hij moet niet neerkijken op zijn droogheid. Hij hoeft niet om geld te bidden want hij heeft al zoveel rijkdom. In enkele andere gedichten schreef Catullus over het gebrek aan vochtigheid bij een vrouw. Droogheid is niet iets wat Catullus aantrekkelijk vindt, dus dit gedicht beledigt Furius meer dan dat het hem complimenteert.
Carmen 23
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | FVRI, cui neque seruus est neque arca | Furius, jij die geen slaaf hebt, noch een geldkist, |
| 2 | nec cimex neque araneus neque ignis, | noch een wants, noch een spin, noch een vuur, |
| 3 | uerum est et pater et nouerca, quorum | maar die wel een vader hebt en een stiefmoeder ook, |
| 4 | dentes uel silicem comesse possunt, | wier tanden zelfs een vuursteen kunnen vermalen, |
| 5 | est pulcre tibi cum tuo parente | je leidt een vrolijk leventje met je vader |
| 6 | et cum coniuge lignea parentis. | en met die droge stok, de vrouw van je vader. |
| 7 | nec mirum: bene nam ualetis omnes, | Geen wonder: jullie genieten allemaal de beste gezondheid, |
| 8 | pulcre concoquitis, nihil timetis, | jullie spijsvertering is uitstekend, jullie hebben nergens bang voor te zijn: |
| 9 | non incendia, non graues ruinas, | branden, instortingen, |
| 10 | non facta impia, non dolos ueneni, | wrede diefstallen, vergiftigingsplannen, |
| 11 | non casus alios periculorum. | andere gevaren. |
| 12 | atque corpora sicciora cornu | En bovendien zijn jullie lichamen zo droog als hoorn, |
| 13 | aut siquid magis aridum est habetis | of nog droger als er iets drogers bestaat, |
| 14 | sole et frigore et esuritione. | door zon en kou en vasten. |
| 15 | quare non tibi sit bene ac beate? | Hoe zou het je anders dan goed en voorspoedig kunnen gaan? |
| 16 | a te sudor abest, abest saliua, | Je bent vrij van zweet, vrij van speeksel, |
| 17 | mucusque et mala pituita nasi. | en slijm en lastige loopneus. |
| 18 | hanc ad munditiem adde mundiorem, | Voeg bij deze reinheid een nog grotere reinheid, |
| 19 | quod culus tibi purior salillo est, | dat je anus zuiverder is dan een zoutvaatje, |
| 20 | nec toto decies cacas in anno; | en je hebt niet meer dan tien keer ontlasting in een heel jaar, |
| 21 | atque id durius est faba et lapillis. | en dat is harder dan bonen of kiezelstenen; |
| 22 | quod tu si manibus teras fricesque, | als je het met je handen zou knijpen of wrijven, |
| 23 | non umquam digitum inquinare posses | zou je nooit je vinger kunnen bevuilen. |
| 24 | haec tu commoda tam beata, Furi, | Aangezien je zulke zegeningen hebt, Furius, |
| 25 | noli spernere nec putare parui, | veracht ze niet en denk er niet gering over; |
| 26 | et sestertia quae soles precari | en houd op met bidden, zoals je gewend bent, om de honderd sestertieen; |
| 27 | centum desine: nam sat es beatus. | want je hebt ruim genoeg om tevreden mee te zijn. |
