Catullus 30 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht richt Catullus zich tot een man die beter bekend staat als Alfenus Varus, een advocaat. Na het lezen van regel een is het gemakkelijk te zien dat Varus iemand was die de dichter teleurstelde, aangezien Catullus zegt dat hij ondankbaar en vals was tegenover zijn vrienden. In regel twee vraagt Catullus of hij bereid was om te stoppen met medelijden te hebben met zijn vriend. Vervolgens, in regel drie, lijkt Catullus hem te antwoorden door te vragen wat, en hem dan te zeggen op te houden met terugdeinzen en hem te bedriegen.
Catullus lijkt in dit gedicht een gesprek te voeren met Alfenus. In regel vier vraagt hij of de goden het prettig vinden wanneer iemand bedriegt. Catullus zegt dat Alfenus de voorkeuren van de goden negeert en verdriet en problemen veroorzaakt in het leven van de dichter. Hij vraagt wie hij nog kan vertrouwen. Alfenus was ooit betrouwbaar en Catullus vertrouwde hem zijn ziel en geheimen toe. Dit leidde ertoe dat Catullus zich veilig bij hem voelde en van hem hield. Toen trok hij zich terug en liet zijn woorden over aan de “winden en nevels van de lucht.” Zijn woorden waren onbevestigd, niet langer veilig.
Catullus besluit het gedicht vervolgens met iets dat op een vloek lijkt. In regels 11 en 12 herinnert hij Alfenus eraan dat de goden het onthouden. Hij noemt specifiek Fides en hoe Fides hem zal laten boeten voor zijn ontrouw aan Catullus. Hoewel hij Alfenus niet vervloekt, lijkt zijn herinnering niet alleen gericht te zijn aan de man, maar ook aan de goden.
Hoewel Catullus niet onthult wat Alfenus deed om hem te beledigen, lijkt het om een vriendschap te gaan, niet om een romantische relatie. Als Alfenus een advocaat was, kan hij het vertrouwen van Catullus of van iemand in zijn omgeving hebben geschonden. De vriendschap lijkt voorbij te zijn, aangezien Catullus gekwetst is door de onverschilligheid van Alfenus. Catullus dacht misschien dat er een vriendschap was, maar Alfenus heeft dit wellicht niet beantwoord.
Carmen 30
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | ALFENE immemor atque unanimis false sodalibus, | ALFENUS, ondankbaar en ontrouw aan je trouwe kameraden, |
| 2 | iam te nil miseret, dure, tui dulcis amiculi? | heb je nu (ach, wreedaard!) geen medelijden meer met je dierbare vriend? |
| 3 | iam me prodere, iam non dubitas fallere, perfide? | Wat? Schrik je er niet voor terug mij te verraden, mij te bedriegen, trouweloze? |
| 4 | nec facta impia fallacum hominum caelicolis placent. | Behagen de daden van bedriegers de goden daarboven? |
| 5 | quae tu neglegis ac me miserum deseris in malis. | Dit alles negeer jij en je laat mij in mijn verdriet en ellende achter; |
| 6 | eheu quid faciant, dic, homines cuiue habeant fidem? | ach, zeg mij, wat moeten mensen doen, wie kunnen zij nog vertrouwen? |
| 7 | certe tute iubebas animam tradere, inique, me | Want waarlijk, jij drong er bij mij op aan je mijn ziel toe te vertrouwen (ach, onrechtvaardige!), |
| 8 | inducens in amorem, quasi tuta omnia mi forent. | mij tot liefde verleidend alsof alles voor mij veilig was; |
| 9 | idem nunc retrahis te ac tua dicta omnia factaque | jij, die je nu terugtrekt en al je woorden en daden door de winden en nevels van de lucht |
| 10 | uentos irrita ferre ac nebulas aereas sinis. | onbekrachtigd laat wegdragen. |
| 11 | si tu oblitus es, at di meminerunt, meminit Fides, | Als jij het vergeten bent, de goden onthouden het, Fides onthoudt het, |
| 12 | quae te ut paeniteat postmodo facti faciet tui. | die je spoedig zal laten boeten voor je daad. |
