Catullus 33 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht schrijft Catullus over een vader en zoon die dieven zijn. Deze twee mannen zijn slimme klerenstelers in de Romeinse baden. De twee mannen zijn Vibennius en zijn zoon. Catullus noemt de zoon losbandig omdat hij verkwistend en roekeloos is, maar hij zegt dat de vader de vuilste handen heeft omdat hij het meeste steelt.
Vervolgens deelt Catullus mee dat de zoon een vraatzuchtige anus heeft, wat aantoont dat de zoon veel seks heeft met mannen. Vraatzuchtig betekent hongerig. In regel vijf wenst Catullus dat de mannen verbannen worden naar troosteloze streken. In regel zes deelt hij mee dat de diefstal van de vader over de hele wereld bekend is. Om het gedicht af te sluiten, deelt Catullus zijn gedachten over de waardeloosheid van de zoon vanwege de reputatie van de vader.
Omdat de reputatie van de vader overal bekend is, kan de zoon niet eens als prostituee werken. Hij is niet in staat zijn “harige achterste voor een As te verkopen.” Dit is een verwijzing naar een Romeinse stuiver, wat aantoont hoe waardeloos het lichaam van de zoon is omdat de twee mannen zulke verschrikkelijke mensen zijn.
Het is veilig om aan te nemen dat deze mannen daadwerkelijk kleding stalen van mensen die Catullus kende. Het is ook mogelijk dat ze seks hadden met mannen die Catullus kent. De baden zouden een plek zijn geweest waar mannen andere mannen ontmoetten. Door kleding te stelen konden ze mannen dwingen seks met hen te hebben. En het lijkt erop dat de zoon niet de verkrachter was, maar degene die geslachtsgemeenschap ontving, omdat zijn anus vraatzuchtig was.
Catullus heeft geen geduld met mannen die zich slecht gedragen. Hij is maar al te bereid om hen in zijn gedichten aan de kaak te stellen, en dat gedrag is voor de eeuwigheid bewaard gebleven. Catullus zou niet willen dat mannen als dezen Rome vervuilen, en daarom hoopt hij dat ze verbannen worden.
Carmen 33
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | O FVRVM optime balneariorum | Slimste van alle klerenstelers in de baden, |
| 2 | Vibenni pater et cinaede fili | vader Vibennius en jij, zijn losbandige zoon, |
| 3 | (nam dextra pater inquinatiore, | want de vader heeft een vuilere rechterhand, |
| 4 | culo filius est uoraciore), | maar de zoon heeft een hongeriger anus: |
| 5 | cur non exilium malasque in oras | ga toch in ballingschap naar troosteloze streken, |
| 6 | itis? quandoquidem patris rapinae | want de rooftochten van de vader zijn bekend |
| 7 | notae sunt populo, et natis pilosas, | bij de hele wereld, en jij, zoon, kunt je |
| 8 | fili, non potes asse uenditare. | harige achterste niet eens voor een As verkopen. |
