Catullus 39 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht schrijft Catullus over Egnatius, een man die een affaire had met Lesbia. Hij kwam naar verluidt uit Spanje en Catullus roddelde dat de man zijn tanden waste met urine. Dit gedicht gaat over de man die een goede smaak had in vrouwen, maar de verkeerde vrouw koos. Catullus valt hem en zijn eeuwige glimlach aan.
In de eerste twee regels schrijft Catullus over hoe wit de tanden van Egnatius zijn, en omdat zijn tanden zo wit zijn, glimlacht hij voortdurend. Vervolgens deelt Catullus alle plaatsen waar Egnatius ongepast glimlacht. Die plaatsen zijn onder andere een rechtszaal waar een verdedigingsadvocaat uitlegt welke verschrikkelijke misdaden de gevangene heeft begaan, en een begrafenis waar ouders rouwen om de dood van hun enige zoon.
In de regels zes en zeven leren we dat Egnatius overal glimlacht en ongeacht wat hij aan het doen is. Catullus noemt het constante glimlachen een “kwaal.” In regel acht verwijst de dichter naar de kwaal als niet elegant of van “goede smaak.” Vervolgens besluit Catullus de man een advies te geven.
In de regels 10-13 zegt hij dat hij dit advies zou geven aan mensen uit de hele regio. In regel 14 verwijst hij naar al deze mensen als degenen die hun tanden met schoon water wassen. Vervolgens geeft hij het advies in regels 15 en 16 en zegt dat zelfs als zijn tanden echt schoon waren, hij niet voortdurend zou moeten glimlachen, want er is niets dwazers dan een dwaze glimlach.
In de laatste vijf regels zien we Catullus delen hoe deze man zijn tanden met urine reinigde. Catullus zegt dat Egnatius een Celtiberiër is — een Kelt die op het Iberisch schiereiland woont. In de ogen van Catullus zou hij niet zo beschaafd zijn geweest als de Romeinen, hoewel ze wel een alfabet hadden en leerden schrijven in de Iberische stijl. Vervolgens deelt Catullus mee dat de inheemse bevolking bekend stond om het wassen van hun eigen tanden met hun eigen urine. Omdat urine hun tanden schoon zou hebben gemaakt, deelt Catullus mee dat Egnatius wilde opscheppen over hoe schoon ze waren.
In wat een kenmerkende stijl van Catullus is, nam hij een bewonderenswaardige eigenschap — schone tanden — en veranderde die in iets vulgairs. Als Egnatius geen seksuele relatie met Lesbia had gehad, had Catullus misschien zijn schone tanden bewonderd in plaats van ze te bespotten omdat ze met urine waren gereinigd.
Carmen 39
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | EGNATIVS, quod candidos habet dentes, | EGNATIUS, omdat hij witte tanden heeft, |
| 2 | renidet usque quaque. si ad rei uentum est | glimlacht eindeloos. Als mensen naar de beklaagdenbank komen, |
| 3 | subsellium, cum orator excitat fletum, | terwijl de verdediger iedereen aan het huilen maakt, |
| 4 | renidet ille; si ad pii rogum fili | glimlacht hij; als zij rouwen bij de brandstapel van een dierbare zoon, |
| 5 | lugetur, orba cum flet unicum mater, | wanneer de berooide moeder huilt om haar enig kind, |
| 6 | renidet ille. quidquid est, ubicumque est, | glimlacht hij. Wat het ook is, waar hij ook is, |
| 7 | quodcumque agit, renidet: hunc habet morbum, | wat hij ook doet, hij glimlacht: het is een kwaal die hij heeft, |
| 8 | neque elegantem, ut arbitror, neque urbanum. | noch een elegante, naar mijn mening, noch een beschaafde. |
| 9 | quare monendum est te mihi, bone Egnati. | Daarom moet ik je een goed advies geven, beste Egnatius. |
| 10 | si urbanus esses aut Sabinus aut Tiburs | Als je een Romein was of een Sabijn of een Tiburtijn |
| 11 | aut pinguis Vmber aut obesus Etruscus | of een dikke Umbriër of een gezette Etrusk, |
| 12 | aut Lanuuinus ater atque dentatus | of een donkere, tandrijke Lanuvijn, |
| 13 | aut Transpadanus, ut meos quoque attingam, | of een Transpadaan (om ook mijn eigen volk te noemen), |
| 14 | aut quilubet, qui puriter lauit dentes, | of wie dan ook die zijn tanden met schoon water wast, |
| 15 | tamen renidere usque quaque te nollem: | toch zou ik niet willen dat je eindeloos glimlacht; |
| 16 | nam risu inepto res ineptior nulla est. | want er is niets dwazers dan een dwaze lach. |
| 17 | nunc Celtiber es: Celtiberia in terra, | Maar nu, je bent een Celtiberiër; in het Celtiberische land |
| 18 | quod quisque minxit, hoc sibi solet mane | wrijven de inwoners hun tanden en rode tandvlees |
| 19 | dentem atque russam defricare gingiuam, | elke ochtend in met wat zij hebben geplast, |
| 20 | ut quo iste uester expolitior dens est, | zodat hoe schoner jouw tanden zijn, |
| 21 | hoc te amplius bibisse praedicet loti. | des te meer urine je bewezen hebt gedronken te hebben. |
