Catullus 44 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht richt Catullus zich tot de sociale groepen in Italie en hoe zij niet noodzakelijkerwijs de sociale regels volgen. Hij betoogt dat poezie en lezen belangrijker zijn dan weten tot welke groep je behoort.
In de eerste zes regels richt hij zich tot de mensen die in Sabijns of Tiburtijns gebied wonen. Dit zijn beide regio’s in Italie. De Sabijnen leidden een sober boerenleven in de Apennijnen, terwijl de Tiburtijnen ook in het Sabijnse gebied woonden, maar in de buurt van Tivoli. Tiburtijns was een plek waar stadsbewoners voor een zomervakantie naartoe gingen, en de locatie was zichtbaar vanuit de stad zelf. Terzijde: Catullus weet dat het in wezen dezelfde mensen zijn en “wedt er alles om” in regel vier dat hij gelijk heeft. In regel zes is hij dankbaar voor de buitenplaats op de grens van stad en platteland. Hij kon daar herstellen van een borstkwaal die hij had opgelopen door “achter dure feestmalen aan te jagen.” In deze eerste zes regels bespot hij de stedelingen die beweren beter te zijn dan de boeren, maar van dezelfde plekken genieten.
In regel 10 vertelt Catullus dat hij bij Sestius wilde dineren, maar het lijkt erop dat hij dat uiteindelijk niet heeft gedaan. In plaats daarvan las hij in regel 11 en 12 de rede van Sestius, die vol gif en pestilentie zat. Opmerkelijk genoeg lijkt het alsof de rede hem de borstkwaal bezorgde.
Om het probleem aan te pakken, ging Catullus naar de boerderij en genoot van brandnetelthee en ontspanning. In regel 16 en 17 lijkt Catullus te zijn hersteld en dankt hij de mensen van het gebied omdat zij hem niet slecht hebben behandeld. Dus deelt hij in de regels 18-21 mee dat als hij ooit weer de verschrikkelijke geschriften van Sestius leest, hij hoopt dat de ziekte Sestius treft en niet Catullus, die werd gestraft voor het lezen van “een stom boek.”
Dit gedicht druipt van sarcastische spot, niet alleen voor de burgers van Rome, maar ook voor Sestius. Catullus vindt de geschriften van Sestius genoeg om een man letterlijk ziek te maken. Dit is pure hyperbolische spot.
Carmen 44
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | O FVNDE noster seu Sabine seu Tiburs | Mijn landgoed, of het nu Sabijns of Tiburtijns is |
| 2 | (nam te esse Tiburtem autumant, quibus non est | (want zij die Catullus niet graag kwetsen, beweren dat gij Tiburtijns zijt, |
| 3 | cordi Catullum laedere; at quibus cordi est, | maar zij die dat wel graag doen, |
| 4 | quouis Sabinum pignore esse contendunt), | wedden er alles om dat gij Sabijns zijt) — |
| 5 | sed seu Sabine siue uerius Tiburs, | maar hoe dan ook, of gij nu Sabijns of eerder Tiburtijns zijt, |
| 6 | fui libenter in tua suburbana | ik was graag in uw buitenplaats, tussen stad en platteland, |
| 7 | uilla, malamque pectore expuli tussim, | en verjoeg de vervelende hoest uit mijn borst, |
| 8 | non inmerenti quam mihi meus uenter, | die mijn gulzigheid mij (niet onverdiend) bezorgde |
| 9 | dum sumptuosas appeto, dedit, cenas. | terwijl ik achter dure feestmalen aan joeg. |
| 10 | nam, Sestianus dum uolo esse conuiua, | Ik wilde namelijk bij Sestius gaan dineren, |
| 11 | orationem in Antium petitorem | en las dus een rede van hem tegen de kandidaat Antius, |
| 12 | plenam ueneni et pestilentiae legi. | vol gif en pestilentie. |
| 13 | hic me grauedo frigida et frequens tussis | Daarop sloeg een koude rilling en aanhoudende hoest |
| 14 | quassauit usque, dum in tuum sinum fugi, | mij aan het beven, tot ik eindelijk in uw schoot vluchtte, |
| 15 | et me recuraui otioque et urtica. | en mij herstelde met een dieet van luiheid en brandnetel. |
| 16 | quare refectus maximas tibi grates | Nu ik hersteld ben, betuig ik u daarom mijn grootste dank, |
| 17 | ago, meum quod non es ulta peccatum. | omdat gij mijn misstap niet hebt bestraft. |
| 18 | nec deprecor iam, si nefaria scripta | En voortaan, als ik ooit weer de gruwelijke geschriften |
| 19 | Sesti recepso, quin grauedinem et tussim | van Sestius ter hand neem, stem ik er graag in toe dat de kou verkoudheid en hoest brenge, |
| 20 | non mihi, sed ipsi Sestio ferat frigus, | niet over mij, maar over Sestius zelf, |
| 21 | qui tunc uocat me, cum malum librum legi. | die mij uitnodigt juist wanneer ik een stom boek heb gelezen. |
