Catullus 46 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht deelt Catullus de vreugde van de lente die warmte terugbrengt naar het land. Hij deelt ook zijn blijdschap over het vooruitzicht van reizen, iets dat mensen tot op de dag van vandaag gelukkig maakt. In regel een begint Catullus met de lente die milde warmte terugbrengt, met aangename alliteratie. In de tweede regel verwijst hij naar de westenwind door Zephyrus te noemen, de god van de westenwind, de warmste van alle winden. Catullus vertelt hoe Zephyrus de woede van de equinoctiale hemel tot bedaren brengt, wanneer dagen en nachten even lang zijn.
Catullus spreekt vervolgens over de plaatsen waarheen hij gaat en die hij verlaat. In regel vier heeft hij het over het verlaten van de Frygische vlakten en het land van Nicaea in regel vijf. Daarna, in regel zes, schrijft hij over hoe hij naar de beroemde steden van Azie zou willen vliegen. Het lijkt erop dat Catullus een geval van lentekoorts en reislust heeft terwijl hij schrijft over hoe zijn ziel trilt van verwachting om rond te zwerven. Zijn voeten popelen om te zingen en sterk te worden.
In regel negen neemt hij afscheid van andere reizigers, die hij “lieve reisgenoten” noemt bij het begin van hun reis ver van huis. Vervolgens sluit hij het gedicht af met te vertellen hoe de reizigers uiteindelijk thuiskomen na hun verschillende schouwspelen te hebben gezien.
Dit is een hoopvol gedicht van Catullus waarin hij enthousiasme toont voor het wisselende seizoen. Het is gemakkelijk je ermee te identificeren, vooral voor mensen die de seizoenswisselingen meemaken. Er is een gevoel van de behoefte om te ontsnappen nadat je de hele winter binnen opgesloten hebt gezeten. Zodra het seizoen verandert naar de lente en het weer opwarmt, leeft het verlangen om de stad te verlaten vandaag de dag nog steeds voort. Catullus schreef dit toen hij ver van huis was in het land van Bithynie. Hoewel het prettig is om weg te gaan, is het ook prettig om na een lange reis weer thuis te komen. Reizen brengt vreugde.
Carmen 46
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | IAM uer egelidos refert tepores, | Nu brengt de lente milde warmte terug, |
| 2 | iam caeli furor aequinoctialis | nu sussen de zoete vlagen van Zephyrus |
| 3 | iucundis Zephyri silescit aureis. | de woede van de equinoctiale hemel. |
| 4 | linquantur Phrygii, Catulle, campi | Laat de Frygische vlakten verlaten worden, Catullus, |
| 5 | Nicaeaeque ager uber aestuosae: | en het vruchtbare land van het snikhete Nicaea: |
| 6 | ad claras Asiae uolemus urbes. | laten wij wegvliegen naar de beroemde steden van Azie. |
| 7 | iam mens praetrepidans auet uagari, | Nu trilt mijn ziel van verwachting en verlangt te zwerven; |
| 8 | iam laeti studio pedes uigescunt. | nu juichen mijn gretige voeten en worden sterk. |
| 9 | o dulces comitum ualete coetus, | Vaarwel, lieve scharen van reisgenoten, |
| 10 | longe quos simul a domo profectos | die samen vertrokken van jullie verre thuis, |
| 11 | diuersae uarie uiae reportant. | en die uiteenlopende wegen langs wisselende schouwspelen weer terugbrengen. |
