Catullus 50 Vertaling
Inleiding
Catullus 50 vertelt over een levendige dichtsessie tussen Catullus en zijn vriend Licinius Calvus, alsook de lethargie en verveling die Catullus daarna voelt. Het heeft een spottende toon die blijkt uit het gebruik van beschaafde taal en een hendecasyllabisch metrum. Elke regel heeft elf poëtische voeten.
In het gedicht gaan Catullus en Licinius Calvus, die zowel dichter als redenaar was, een gepassioneerde en hedonistische uitwisseling van poëzie en persoonlijkheid aan. Daarna kan Catullus niet eten of slapen en ligt rusteloos dagdromend over een volgende dichtsessie. Vervolgens toont hij zijn genegenheid voor de dichtvorm die hem het vermogen geeft zijn stemming uit te drukken, maar waarschuwt Calvus voor hoogmoed, opdat de godin Nemesis (die vergelding brengt over de arroganten) hem niet zal straffen.
Catullus 50 begint in een zeer lichte toon terwijl de twee in de stroom van creativiteit zitten, maar neemt dan een donkere wending wanneer zijn vriend hem verlaat. De eerste zes regels van het gedicht bevatten opgewekt vocabulaire: vrije tijd, toegeeflijk, spelen, lachen, drinken. Maar de afwezigheid van de kameraadschap van Calvus, een lid van de vooraanstaande gens Licinia familie, is voor Catullus evenzeer een bron van wanhoop als de afwezigheid van artistieke schepping. Het ongeluk dient als een sterk contrast met het begin van het gedicht en benadrukt de waarde die Catullus aan vriendschap hecht. Het tweede deel van het gedicht is onderverdeeld in twee kleinere secties: de eerste waarin Catullus de reden voor zijn lijden beschrijft (En ik vertrok van daar, aangestoken door jouw charme en geest, 50, 7-8). De term “aangestoken” (incensus) wordt in het Latijn vaak gevolgd door “liefde” (amore), wat erotische ondertonen suggereert alsook een hoge mate van genegenheid voor de poëtische bekwaamheid en persoonlijke kwaliteiten van zijn vriend. De tweede subsectie beschrijft zijn psychologisch lijden (angst, verlangen, neerslachtigheid).
Het gedicht is verbonden met Catullus 51 door het thema van de vrije tijd (Gisteren, Licinius, op ons gemak, 50.1), dat vele betekenissen heeft, maar voor Catullus en andere vooraanstaande personen een doelbewuste terugtrekking uit het openbare leven zou hebben betekend om belangrijke artistieke ondernemingen na te streven. Het lijkt erop dat Catullus 50 en Catullus 51 bedoeld waren om samen gelezen te worden. Beide beschrijven Catullus’ ellende (“me miserum”, 50.9). Zijn ongeluk staat centraal in elk gedicht, hoewel Lesbia en de liefde het object van verlangen zijn in Catullus 51, dat daardoor serieuzer is. In Catullus 50 hanteert hij een luchtigere toon om een vergelijkbaar verlangen naar de vriendschap van Calvus uit te drukken. In beide somt hij zijn symptomen op als een manier om zijn genegenheid voor de geadresseerden te benadrukken. Een speels erotisme neemt bezit in de regels 7-8. Catullus is zo betoverd door de charme en geest van Calvus, en door het plezier van hun gezamenlijke kunstschepping, dat de rest van het leven zijn glans verliest.
In de regels 18-21 van het gedicht is er opnieuw een verschuiving in toon door de verwijzing naar Nemesis, een zeer machtige godheid en symbool van straf voor buitensporigheid. De schijnbaar ongepaste aanroeping van Nemesis benadrukt het sarcastische karakter van Catullus 50, hoewel het ook gelezen kan worden als een waarschuwing aan Catullus zelf om niet op ongezonde wijze te leunen op kameraadschap en romantiek, opdat hij niet gestraft wordt met emotioneel leed.
Carmen 50
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | HESTERNO, Licini, die otiosi | Gisteren, Licinius, namen wij vrij |
| 2 | multum lusimus in meis tabellis, | en speelden menig spel met mijn tabletten, |
| 3 | ut conuenerat esse delicatos: | zoals wij hadden afgesproken ons te vermaken. |
| 4 | scribens uersiculos uterque nostrum | Ieder van ons schreef naar hartelust versjes, |
| 5 | ludebat numero modo hoc modo illoc, | nu in dit metrum, dan in dat, |
| 6 | reddens mutua per iocum atque uinum. | over en weer, al lachend bij de wijn. |
| 7 | atque illinc abii tuo lepore | Ik ging daar vandaan, zo ontvlamd |
| 8 | incensus, Licini, facetiisque, | door jouw charme en geest, Licinius, |
| 9 | ut nec me miserum cibus iuuaret | dat eten mijn leed niet verzachtte, |
| 10 | nec somnus tegeret quiete ocellos, | noch de slaap rust over mijn ogen spreidde, |
| 11 | sed toto indomitus furore lecto | maar rusteloos en koortsig woelde ik door mijn hele bed, |
| 12 | uersarer, cupiens uidere lucem, | verlangend naar het ochtendgloren, |
| 13 | ut tecum loquerer, simulque ut essem. | opdat ik met jou kon praten en bij je kon zijn. |
| 14 | at defessa labore membra postquam | Maar toen mijn ledematen, uitgeput van vermoeidheid, |
| 15 | semimortua lectulo iacebant, | halfdood op mijn rustbed lagen, |
| 16 | hoc, iucunde, tibi poema feci, | maakte ik dit gedicht voor jou, mijn lieve vriend, |
| 17 | ex quo perspiceres meum dolorem. | opdat je daaruit mijn lijden zou kunnen leren kennen. |
| 18 | nunc audax caue sis, precesque nostras, | Wees nu niet te trots, en ik smeek je, |
| 19 | oramus, caue despuas, ocelle, | oogappel van mij, wijs mijn gebeden niet af, |
| 20 | ne poenas Nemesis reposcat a te. | opdat Nemesis niet op haar beurt straf van jou eist. |
| 21 | est uehemens dea: laedere hanc caueto. | Zij is een gebiedende godin — hoed u ervoor haar te beledigen. |

