Catullus 58 Vertaling
Inleiding
Catullus hield van Lesbia. Caelius hield ook van Lesbia. Sterker nog, Caelius was de man tot wie Lesbia zich wendde na de dood van haar echtgenoot. In dit gedicht schrijft Catullus aan Caelius over zijn relatie met Lesbia. Hij vertelt hoezeer hij van haar hield, meer dan van zichzelf. De eerste twee regels voelen bijna aan alsof hij huilt en rouwt om haar verlies, vooral omdat hij haar naam drie keer noemt in slechts zes woorden.
In de laatste regel van het gedicht verwijst Catullus naar de nakomelingen van Remus. Aangezien Remus de stichter van Rome is, heeft hij het erover hoe Lesbia zich “ontbloot” voor elke Romein op kruispunten en in steegjes. Het woord “ontbloten” wordt hier als werkwoord gebruikt. Catullus probeert Caelius te beledigen door te zeggen dat Lesbia haar kleding uittrekt voor de kinderen van Remus. Catullus beschuldigt Lesbia ervan zich naar steegjes en kruispunten te sluipen om haar verlangens te bevredigen. Door dit te noemen, zou hij kunnen proberen Caelius te beledigen door te zeggen dat Lesbia niet met hem of andere nakomelingen van Remus gezien zou willen worden.
Caelius verschijnt in andere gedichten van Catullus. Hij noemt hem ook Rufus. In alle vier de gedichten beledigt Catullus Caelius omdat hij het hart van Lesbia veroverde. Caelius heeft Catullus duidelijk gekwetst door een seksuele relatie met Lesbia te hebben. Men gelooft dat Caelius zijn kans greep toen Catullus buiten Rome was. Caelius is voor Catullus ook aanstootgevend omdat hij Cicero verdedigde toen deze Lesbia wilde doden. Dit korte gedicht toont hoezeer hij een afkeer heeft van deze man.
Carmen 58
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | CAELI, Lesbia nostra, Lesbia illa. | O Caelius, mijn Lesbia, die Lesbia, |
| 2 | illa Lesbia, quam Catullus unam | die Lesbia die Catullus als enige beminde |
| 3 | plus quam se atque suos amauit omnes, | meer dan zichzelf en al de zijnen, |
| 4 | nunc in quadriuiis et angiportis | nu ontbloot zij op kruispunten en in steegjes |
| 6 | NON custos si fingar ille Cretum, | Al werd ik in brons gegoten als de legendarische bewaker van Kreta, |
| 7 | non Ladas ego pinnipesue Perseus, | al zou ik omhoog zweven als de vliegende Pegasus, |
| 8 | non si Pegaseo ferar uolatu, | al was ik Ladas of de gevleugelde Perseus, |
| 9 | non Rhesi niueae citaeque bigae; | al was ik het snelle sneeuwwitte span van Rhesus: |
| 10 | adde huc plumipedas uolatilesque, | voeg hierbij de vedervoetige goden en de gevleugelden, |
| 11 | uentorumque simul require cursum, | en roep daarbij de snelheid van de winden aan — |
| 12 | quos iunctos, Cameri, mihi dicares: | al zou je ze allemaal inspannen, Camerius, en in mijn dienst stellen, |
| 13 | defessus tamen omnibus medullis | toch zou ik uitgeput zijn tot in mijn merg, |
| 14 | et multis languoribus peresus | en verteerd door herhaaldelijke flauwtes, |
| 15 | essem te mihi, amice, quaeritando. | mijn vriend, door het zoeken naar jou. |
