Catullus 63 Vertaling
Inleiding
Catullus 63 is een van zijn langste gedichten met bijna 100 regels tekst. Het gedicht is lyrisch en vertelt het verhaal van Attis, Cybele en de Gallae. Het voelt bij momenten als een hallucinatie, wanneer het hoofdpersonage van het gedicht wisselt van mannelijk naar vrouwelijk en weer terug. Het gedicht begint met het verhaal van Attis die in een vlaag van razernij “de last van zijn mannelijkheid” afsnijdt. Nadat hij zichzelf castreert, verschuift het voornaamwoord van de protagonist van hij naar zij. In een snelle beweging wordt Attis Cybele.
Terwijl het verhaal verdergaat, begint Cybele op het tamboerijn te spelen, dat lijkt op een tamboerijn. Zij wordt ook de Moeder genoemd, en het gebruik ervan als eigennaam toont dat zij de moeder van allen is. Zij zingt terwijl de Gallae haar beginnen te volgen. Ze spoort hen aan haar te volgen naar de plaatsen waar de Frygier op zijn riet blaast en de Maenaden hevig dansen.
Vervolgens verwijst Catullus naar Cybele als Attis, “Vrouw, nog niet waarlijk zo.” De Gallae volgen Attis/Cybele naar het huis van Cybele. Daar slapen zij in, uitgeput door het niet eten terwijl ze al dat lopen deden. Zij sliepen goed. Attis ontwaakte uit de slaap en besefte dat Pasithea, de godin van ontspanning, hem de rust had gegeven die hij nodig had en hem had laten zien wat hij zichzelf had aangedaan.
Nadat Attis beseft dat hij noch man noch vrouw is, vraagt hij zich af wat er zal gebeuren. Attis vertelt hoe hij ooit een trots lid van het schoolgymnasium was, de palaestra. Terwijl Attis terugblikt op wie hij was en is, wisselt Catullus heen en weer tussen vrouwelijke en mannelijke voornaamwoorden. Bedroefd heeft Attis spijt van wat hij deed; hij verandert dan in Cybele die met gewelddadige woorden spreekt over hoe waanzin Attis zal overmannen. Zij verwijst naar de leeuw die Attis krankzinnig zal maken en hem de bossen in zal jagen.
In de Romeinse mythologie werd Cybele geassocieerd met wilde natuur. Haar metgezel was de leeuw. Zij verschilt van de Griekse godin van het wilde, Artemis, die het hert als metgezel en symbool had. In de Romeinse mythologie was Attis, de god van de vegetatie, de gemaal van Cybele. De Gallae waren eunuchen. Attis werd geassocieerd met Phrygie en een cultus in Dindymon. Attis zou gaan trouwen, maar terwijl het bruiloftslied klonk, toonde Cybele zich aan Attis en hij castreerde zichzelf in een vlaag van waanzin. De goden besloten later dat Attis onsterfelijk zou zijn. Catullus verkent de relatie tussen deze twee belangrijke goden in het Romeinse pantheon. Hij lijkt gefascineerd te zijn door de mensen die Cybele aanbaden en hoe zij de voorkeur gaf aan gecastreerde volgelingen. Dit zou verband kunnen houden met Artemis, die een maagdelijke godin was en mannen doodde die haar naakt zagen.
Dit gedicht verschilt sterk van de typische gedichten van Catullus. In plaats van te praten over seks met Lesbia of de spot te drijven met zijn vrienden, wordt Catullus muzikaal en stelt hij de rol van mannen en vrouwen ter discussie. Dit gedicht werd geschreven in de tijd voor Christus, maar het is vandaag de dag nog zeer relevant nu de rollen van geslachten voortdurend in beweging zijn.
Carmen 63
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | SVPER alta uectus Attis celeri rate maria, | Gevoerd in zijn snelle bark over diepe zeeen, |
| 2 | Phrygium ut nemus citato cupide pede tetigit, | toen Attis gretig met haastige voet het Frygische woud bereikte, |
| 3 | adiitque opaca siluis redimita loca deae, | en de verblijven van de godin betrad, schaduwrijk en door bossen omgeven; |
| 4 | stimulatus ibi furenti rabie, uagus animis, | daar, aangespoord door razende waanzin, verward van geest, |
| 5 | deuolsit ili acuto sibi pondera silice, | sloeg hij met scherpe vuursteen de last van zijn mannelijkheid af. |
| 6 | itaque ut relicta sensit sibi membra sine uiro, | Toen zij voelde dat haar ledematen hun mannelijkheid hadden verloren, |
| 7 | etiam recente terrae sola sanguine maculans, | terwijl zij nog vers bloed op de grond liet druppen, |
| 8 | niueis citata cepit manibus leue typanum, | greep zij vlug met sneeuwwitte handen het lichte tamboerijn, |
| 9 | typanum tuum, Cybebe, tua, mater initia, | uw tamboerijn, Cybele, uw mysterieen, Moeder, |
| 10 | quatiensque terga tauri teneris caua digitis | en terwijl zij met tere vingers de holle ossenhuid schudde, |
| 11 | canere haec suis adorta est tremebunda comitibus. | begon zij aldus bevend te zingen tot haar metgezellen: |
| 12 | ’agite ite ad alta, Gallae, Cybeles nemora simul, | “Komt, gaat samen naar de bergwouden van Cybele, |
| 13 | simul ite, Dindymenae dominae uaga pecora, | gaat samen, dwalende kudde van de vrouwe van Dindymus, |
| 14 | aliena quae petentes uelut exules loca | die als ballingen snel vreemde oorden opzochten, |
| 15 | sectam meam exsecutae duce me mihi comites | mijn regel volgend onder mijn leiding als mijn gevolg, |
| 16 | rapidum salum tulistis truculentaque pelagi | de snelstromende zilte zee hebt doorstaan en de woeste golven, |
| 17 | et corpus euirastis Veneris nimio odio; | en uw lichamen hebben ontmand uit diepe afkeer van de liefde, |
| 18 | hilarate erae citatis erroribus animum. | verblijdt het hart van uw Meesteres met snelle zwerftochten. |
| 19 | mora tarda mente cedat: simul ite, sequimini | Laat traag talmen wijken uit uw geest; gaat samen, volgt |
| 20 | Phrygiam ad domum Cybebes, Phrygia ad nemora deae, | naar het Frygische huis van Cybele, naar de Frygische wouden der godin, |
| 21 | ubi cymbalum sonat uox, ubi tympana reboant, | waar het geluid van bekkens klinkt, waar tamboerijn weergalmen, |
| 22 | tibicen ubi canit Phryx curuo graue calamo, | waar de Frygische fluitspeler een diepe toon blaast op zijn gebogen riet, |
| 23 | ubi capita Maenades ui iaciunt hederigerae, | waar de klimopbekranste Maenaden heftig hun hoofden werpen, |
| 24 | ubi sacra sancta acutis ululatibus agitant, | waar zij met schelle kreten de heilige emblemen schudden, |
| 25 | ubi sueuit illa diuae uolitare uaga cohors, | waar die dwalende schare van de godin pleegt rond te zwerven, |
| 26 | quo nos decet citatis celerare tripudiis.‘ | waarheen het ons past te snellen met snelle dansen.” |
| 27 | simul haec comitibus Attis cecinit notha mulier, | Zodra Attis, vrouw maar geen ware, zo tot haar metgezellen had gezongen, |
| 28 | thiasus repente linguis trepidantibus ululat, | huilen de feestvierders plotseling met trillende tongen, |
| 29 | leue tympanum remugit, caua cymbala recrepant. | weerklinkt het lichte tamboerijn, kletteren de holle bekkens, |
| 30 | uiridem citus adit Idam properante pede chorus. | en snel trekt de stoet met haastige voet naar de groene Ida. |
| 31 | furibunda simul anhelans uaga uadit animam agens | Dan ook razend, hijgend, onzeker, zwerft zij, snakkend naar adem, |
| 32 | comitata tympano Attis per opaca nemora dux, | vergezeld door het tamboerijn, Attis, door de donkere wouden hun leidster, |
| 33 | ueluti iuuenca uitans onus indomita iugi; | als een ongetemde vaars die het juk ontwijkt. |
| 34 | rapidae ducem sequuntur Gallae properipedem. | Snel volgen de Gallae hun snelvoetige leidster. |
| 35 | itaque, ut domum Cybebes tetigere lassulae, | En toen zij het huis van Cybele bereikten, flauw en uitgeput, |
| 36 | nimio e labore somnum capiunt sine Cerere. | vielen zij na grote inspanning in slaap zonder brood; |
| 37 | piger his labante languore oculos sopor operit; | trage slaap bedekte hun ogen met verslappende vermoeidheid, |
| 38 | abit in quiete molli rabidus furor animi. | de krankzinnige woede van hun geest week in zachte sluimer. |
| 39 | sed ubi oris aurei Sol radiantibus oculis | Maar toen de zon met de stralende ogen van zijn gouden gelaat |
| 40 | lustrauit aethera album, sola dura, mare ferum, | de heldere hemel, het harde land, de wilde zee verlichtte, |
| 41 | pepulitque noctis umbras uegetis sonipedibus, | en de schaduwen der nacht verjoeg met uitgeruste stampende rossen, |
| 42 | ibi Somnus excitam Attin fugiens citus abiit; | toen vluchtte Slaap snel van de ontwaakte Attis en was verdwenen; |
| 43 | trepidante eum recepit dea Pasithea sinu. | hem ontving de godin Pasithea in haar fladderende schoot. |
| 44 | ita de quiete molli rapida sine rabie | Zo, na de zachte sluimer, bevrijd van woeste waanzin, |
| 45 | simul ipsa pectore Attis sua facta recoluit, | zodra Attis zelf in zijn hart zijn eigen daad overzag, |
| 46 | liquidaque mente uidit sine quis ubique foret, | en met heldere geest zag wat hij had verloren en waar hij was, |
| 47 | animo aestuante rusum reditum ad uada tetulit. | snelde hij met kolkende geest opnieuw terug naar de golven. |
| 48 | ibi maria uasta uisens lacrimantibus oculis, | Daar, uitkijkend over de wijde zeeen met tranende ogen, |
| 49 | patriam allocuta maestast ita uoce miseriter. | sprak zij aldus jammerklagend tot haar vaderland met betraande stem: |
| 50 | ’patria o mei creatrix, patria o mea genetrix, | “O mijn vaderland dat mij het leven gaf! O mijn vaderland dat mij baarde! |
| 51 | ego quam miser relinquens, dominos ut erifugae | U verlatend, ellendeling die ik ben! zoals weggelopen slaven hun meesters verlaten, |
| 52 | famuli solent, ad Idae tetuli nemora pedem, | heb ik mijn voet naar de wouden van Ida gericht, |
| 53 | ut aput niuem et ferarum gelida stabula forem, | om te leven temidden van sneeuw en de ijskoude holen van wilde dieren, |
| 54 | et earum omnia adirem furibunda latibula, | en in mijn razernij al hun schuilplaatsen te bezoeken — |
| 55 | ubinam aut quibus locis te positam, patria, reor? | waar dan of in welk oord denk ik dat gij ligt, o mijn vaderland? |
| 56 | cupit ipsa pupula ad te sibi derigere aciem, | Mijn ogen verlangen er vanzelf naar hun blik op u te richten |
| 57 | rabie fera carens dum breue tempus animus est. | zolang mijn geest voor korte tijd vrij is van wilde razernij. |
| 58 | egone a mea remota haec ferar in nemora domo? | Ik, zal ik ver van mijn huis weggesleurd worden naar deze wouden? |
| 59 | patria, bonis, amicis, genitoribus abero? | Gescheiden van mijn vaderland, mijn bezittingen, mijn vrienden, mijn ouders? |
| 60 | abero foro, palaestra, stadio et gyminasiis? | Gescheiden van de markt, de worstelplek, de renbaan, het gymnasium? |
| 61 | miser a miser, querendum est etiam atque etiam, anime. | Ongelukkig, o ongelukkig hart, je moet klagen, nog en nog eens. |
| 62 | quod enim genus figurast, ego non quod obierim? | Want welke gedaante van mens is er die ik niet heb gehad? |
| 63 | ego mulier, ego adulescens, ego ephebus, ego puer, | Ik, nu een vrouw — die een jongeman was, ik een jongeling, ik een knaap, |
| 64 | ego gymnasi fui flos, ego eram decus olei: | ik was de bloem van het gymnasium, ik was eens de trots van de palaestra: |
| 65 | mihi ianuae frequentes, mihi limina tepida, | van mij waren de drukbezochte deuren, van mij de warme drempels, |
| 66 | mihi floridis corollis redimita domus erat, | van mij was het huis versierd met bloemenkransen |
| 67 | linquendum ubi esset orto mihi Sole cubiculum. | wanneer ik bij zonsopgang mijn slaapkamer moest verlaten. |
| 68 | ego nunc deum ministra et Cybeles famula ferar? | Ik, zal ik nu worden genoemd — wat? een dienares der goden, een slavin van Cybele? |
| 69 | ego Maenas, ego mei pars, ego uir sterilis ero? | Ik een Maenade, ik een deel van mijzelf, een onvruchtbare man zal ik zijn? |
| 70 | ego uiridis algida Idae niue amicta loca colam? | Ik, zal ik wonen in de ijzig besneeuwde streken van de groene Ida, |
| 71 | ego uitam agam sub altis Phrygiae columinibus, | mijn leven doorbrengen onder de hoge toppen van Phrygie, |
| 72 | ubi cerua siluicultrix, ubi aper nemoriuagus? | met de hinde die het woud bewoont, met het zwijn dat het bos doorkruist? |
| 73 | iam iam dolet quod egi, iam iamque paenitet.‘ | Nu, nu doet het mij leed wat ik deed, nu, nu heb ik er berouw van.” |
| 74 | roseis ut huic labellis sonitus citus abiit | Toen deze woorden van zijn rozige lippen waren gekomen, |
| 75 | geminas deorum ad aures noua nuntia referens, | een nieuwe boodschap brengend aan de oren der goden, |
| 76 | ibi iuncta iuga resoluens Cybele leonibus | toen maakte Cybele het vastgebonden juk van haar leeuwen los, |
| 77 | laeuumque pecoris hostem stimulans ita loquitur. | en de linkse vijand van de kudde aansporend, sprak zij aldus: |
| 78 | ’agedum,’ inquit ‘age ferox fac ut hunc furor | ”Vooruit,” zegt zij, “vooruit, woeste, laat waanzin hem hiervandaan jagen, |
| 79 | fac uti furoris ictu reditum in nemora ferat, | laat hem door de slag der razernij terugkeren naar de wouden, |
| 80 | mea libere nimis qui fugere imperia cupit. | hem die al te vrij wil zijn en ontvluchten wil aan mijn heerschappij. |
| 81 | age caede terga cauda, tua uerbera patere, | Vooruit, geselt je rug met je staart, verdraag je eigen zweepslagen, |
| 82 | fac cuncta mugienti fremitu loca retonent, | laat alles weergalmen van je brullend gebrul, |
| 83 | rutilam ferox torosa ceruice quate iubam.‘ | schud woest op je gespierde nek je rossige manen.” |
| 84 | ait haec minax Cybebe religatque iuga manu. | Aldus spreekt de dreigende Cybele, en met haar hand maakt zij het juk los. |
| 85 | ferus ipse sese adhortans rapidum incitat animo, | Het monster vat moed en zweept zich op tot woede; |
| 86 | uadit, fremit, refringit uirgulta pede uago. | het stormt voort, het brult, het breekt het struikgewas met zwervende poot. |
| 87 | at ubi umida albicantis loca litoris adiit, | Maar toen het de natte stroken van het wit glanzende strand bereikte, |
| 88 | teneramque uidit Attin prope marmora pelagi, | en de tere Attis zag bij het gladde zeevlak, |
| 89 | facit impetum. illa demens fugit in nemora fera; | stormt het op hem af — krankzinnig vlucht Attis het wilde woud in. |
| 90 | ibi semper omne uitae spatium famula fuit. | Daar was hij voor altijd, zijn hele verdere leven, een dienares. |
| 91 | dea, magna dea, Cybebe, dea domina Dindymi, | Godin, grote godin, Cybele, godin, meesteres van Dindymus, |
| 92 | procul a mea tuos sit furor omnis, era, domo: | ver van mijn huis zij al uw razernij, o mijn gebiedster: |
| 93 | alios age incitatos, alios age rabidos. | anderen drijf tot extase, anderen drijf tot waanzin. |
