Catullus 73 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht heeft Catullus genoeg van een vriendschap die is misgegaan. De dichter begint het stuk met een gefrustreerde toon, waarin hij beseft dat hij zelfs als hij dank verdient, die niet zal krijgen. Hij weet dat mensen niet dankbaar zullen zijn. In de derde regel vermeldt hij hoe “dit alles” geen dank ontvangt en dat zijn vriendelijke daden niets betekenen. In de vierde regel deelt hij mee dat hij vermoeid is, maar dat de daden van anderen en zijn emoties schadelijk zijn.
In de vijfde regel zien lezers dat hij zich zo voelt en “gekweld” wordt door iemand die hem bitter heeft behandeld. In de zesde regel onthult Catullus dat de persoon die hem dit aandeed iemand was die alleen Catullus als vriend had.
Dit gedicht is duidelijk doordrenkt van pijn, want Catullus voelt dat hij deze persoon goed heeft behandeld. Maar de persoon toont hem geen enkel respect, ondanks dat Catullus vriendelijk tegen hem was. Hopelijk heeft Catullus zijn les geleerd voordat hij nog meer gaf aan wie hoogstwaarschijnlijk zijn voormalige vriend is. Dankbaarheid en respect waren belangrijk in het sociale systeem van de Romeinse wereld. Het opzettelijk negeren ervan ging in tegen de manier waarop de Romeinse wereld functioneerde. Catullus zou dit geweten hebben, en gedicht 73 laat zien hoe mensen zich voelden wanneer ze slecht werden behandeld door iemand uit hun sociale laag.
Dit gedicht is een elegisch distichon met een regel die niet hetzelfde metrum heeft als de rest: regel vier. De poëzie van Catullus bestrijkt de volle breedte en diepte van menselijke emoties. Hoewel de meeste gedichten lijken voort te komen uit zijn diverse ervaringen en gedachten over de liefde, laat dit gedicht zien hoe hij zich voelt wanneer broederlijke liefde (philia) niet werd beantwoord. Volgens de oude Grieken was platonische liefde de belangrijkste, dus het is gemakkelijk te begrijpen waarom het gebrek aan dankbaarheid zo verontrustend was voor Catullus.
Carmen 73
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | DESINE de quoquam quicquam bene uelle mereri | HOUD OP te hopen dat je ooit dank verdient van wie dan ook, |
| 2 | aut aliquem fieri posse putare pium. | of te denken dat iemand ooit dankbaar kan worden. |
| 3 | omnia sunt ingrata, nihil fecisse benigne | Dit alles wint geen dank; vriendelijk gehandeld te hebben is niets, |
| 4 | immo etiam taedet, taedet obestque magis; | sterker nog, het is vermoeiend, vermoeiend en schadelijk; |
| 5 | ut mihi, quem nemo grauius nec acerbius urget, | zo vergaat het mij, die door niemand zo bitter gekweld wordt |
| 6 | quam modo qui me unum atque unicum amicum habuit. | als door hem die mij kort geleden als zijn enige en beste vriend beschouwde. |
