Catullus 77 Vertaling
Inleiding
Rufus is de man die Catullus verving als minnaar van Lesbia. Rufus wordt in andere gedichten ook Caelius genoemd, want zijn volledige naam is Marcus Caelius Rufus. Hij was een magistraat met een rang onder die van consul, en hij diende onder Julius Caesar. Rufus werd later gedood tijdens een opstand.
In dit elegische gedicht begint Catullus te vertellen hoe hij ooit Rufus vertrouwde, maar dat dit alles tevergeefs was en geen doel diende. Vervolgens merkt hij in regel twee tussen haakjes op dat het vertrouwen niet tevergeefs was; het was eigenlijk “tegen een grote en rampzalige prijs.” In regels drie en vier vertelt hij hoe Rufus in zijn hart sloop en zijn ingewanden verschroeide, waardoor al zijn zegeningen werden weggerukt.
In de laatste twee regels noemt hij Rufus het wrede vergif van zijn leven en de dodelijke plaag van zijn vriendschap. In de laatste drie regels gebruikt Catullus het woord “helaas” vijf keer, wat laat zien dat hij bedroefd was over de manier waarop Rufus hem pijn deed. Helaas is een uitroep van verdriet, wat een passend woord is, aangezien Rufus de relatie van Catullus met Lesbia heeft verwoest. Er is geen twijfel dat Catullus verdriet zou hebben ervaren over het einde van zowel de vriendschap met Rufus als de romance met Lesbia.
Een opvallende regel in dit gedicht is regel drie, wanneer Catullus verwijst naar zijn hart en zijn ingewanden. Voor de dichter zouden de daden van Rufus Catullus het gevoel hebben gegeven alsof zijn vitale organen uit zijn lichaam werden gerukt. In meerdere gedichten schreef Catullus over hoe hij meer van Lesbia hield dan van zichzelf. Dat een andere man zijn plaats innam, moet dus hartverscheurend zijn geweest. De pijnlijke toon van dit gedicht is onmiskenbaar, vooral met woorden als rampzalig, gestolen, verschroeien, weggerukt, wreed vergif en dodelijke plaag.
Carmen 77
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | RVFE mihi frustra ac nequiquam credite amice | RUFUS, die ik, uw vriend, tevergeefs vertrouwde, en doelloos |
| 2 | (frustra? immo magno cum pretio atque malo), | (tevergeefs? nee, eerder tegen een grote en rampzalige prijs) |
| 3 | sicine subrepsti mi, atque intestina perurens | bent u zo in mijn hart geslopen en mijn ingewanden verschroeiend, |
| 4 | ei misero eripuisti omnia nostra bona? | hebt u, helaas, al mijn zegeningen weggerukt? |
| 5 | eripuisti, heu heu nostrae crudele uenenum | Weggerukt, helaas, helaas! gij wreed vergif van mijn leven, |
| 6 | uitae, heu heu nostrae pestis amicitiae. | helaas, helaas! gij dodelijke plaag van mijn vriendschap. |
