Catullus 9 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht deelt Catullus de vreugde die hij voelt vanwege zijn vriendschap met Veranius. In de eerste twee regels vertelt Catullus hoe hij Veranius verkiest boven de 3.000 andere vrienden. In de volgende twee regels vraagt hij Veranius of hij is thuisgekomen bij zijn broers en moeder. Catullus is dolblij dat zijn vriend is thuisgekomen.
In regels zes en zeven vertelt Catullus hoe gelukkig hij is om hem te horen vertellen over zijn expeditie naar de Iberiërs. Vervolgens vertelt Catullus hoe blij hij is om Veranius’ mond en ogen te kussen. Om het gedicht af te sluiten deelt Catullus mee dat hij gezegend is boven alle andere mannen. In de laatste regel deelt hij mee dat hij blij is zo gezegend te zijn.
Dit is een typisch gedicht van Catullus, maar het mist de creatieve woordspelingen. Het is eenvoudigweg een liefdevol gedicht aan zijn vriend Veranius, die van huis is geweest. Catullus schreef meerdere gedichten als dit aan andere mensen van wie hij hield. Deze eenvoudige odes staan in schril contrast met de boze gedichten die hij schreef aan mannen als Mamurra, want die zijn vol walging.
Dit gedicht is er een dat iedereen met plezier zou ontvangen. Het leest bijna met de eenvoud van een wenskaart die men naar een vriend of geliefde zou sturen die thuiskomt van een lange vakantie. De bewering dat Catullus Veranius verkiest boven zijn 3.000 andere vrienden is een hyperbool die ook geschikt zou zijn voor een moderne wenskaart.
Het gedicht is gevuld met verwachting van de thuiskomst van zijn vriend, zodat ze kunnen praten en fysieke genegenheid met elkaar kunnen delen. Het is zeker dat Catullus van deze man houdt, want hij klaagt op geen enkele manier over hem in het gedicht. Catullus klaagde af en toe over Lesbia en hoe zij haar beloften niet nakwam om van hem te houden zoals hij van haar hield.
Carmen 9
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | VERANI, omnibus e meis amicis | Veranius, door mij verkozen boven driehonderdduizend |
| 2 | antistans mihi milibus trecentis, | van al mijn vrienden, |
| 3 | uenistine domum ad tuos penates | ben je dan thuisgekomen bij je eigen haard |
| 4 | fratresque unanimos anumque matrem? | en je eensgezinde broers en bejaarde moeder? |
| 5 | uenisti. o mihi nuntii beati! | Je bent er! O, vreugdevol nieuws voor mij! |
| 6 | uisam te incolumem audiamque Hiberum | Ik zal je veilig teruggekeerd aanschouwen en je horen |
| 7 | narrantem loca, facta nationes, | vertellen over het land, de geschiedenis, de volkeren der Iberiërs, |
| 8 | ut mos est tuus, applicansque collum | zoals je gewoonte is, en je hals naar mij toe trekkend |
| 9 | iucundum os oculosque suauiabor. | zal ik je geliefde mond en ogen kussen. |
| 10 | o quantum est hominum beatiorum, | O, van alle gezegende mensen, |
| 11 | quid me laetius est beatiusue? | wie is er blijer, gezegender dan ik? |
