Catullus 99 Vertaling
Inleiding
In Catullus 99 schrijft de dichter over zijn mannelijke geliefde, Juventius, en die was daar niet blij mee. De kus was gestolen, aldus Catullus. Hij stal de kus terwijl Juventius aan het spelen was, en Juventius was er niet van gediend.
Juventius had zo’n afkeer van de kus dat hij zijn lippen schoonwaste en ze met al zijn vingers afveegde, in regels zeven en acht. Catullus gebruikt een verontrustende metafoor om zijn speeksel te beschrijven als “zo vies als wolvinnen-urine” in regel 10.
Catullus vond de kus zoeter dan ambrozijn; maar aan het einde van het gedicht noemt hij de kus nieskruid. Tegenwoordig is nieskruid een prachtige plant met witte bloemen. Maar in het oude Rome was zwart nieskruid een krachtig gif dat werd gebruikt in een drankje dat abortuswijn werd genoemd. Catullus vermeldt ook hoe de houding van Juventius tegenover de kus Catullus meer maakte dan een ongelukkige minnaar. Nu is hij een boze minnaar die nooit meer zal proberen een kus te stelen.
Dit gedicht heeft een speels karakter, ondanks het feit dat het gaat over de woede die Catullus voelt over zijn afwijzing door Juventius. Het oorspronkelijke Latijnse gedicht was geschreven in een elegische stijl, die doorgaans is voorbehouden aan gedichten over de liefde. Hoewel het een zangerig karakter heeft, toont Catullus zijn frustratie. Een kus stelen is een romantisch gebaar, en in veel van zijn gedichten laat Catullus zien dat hij een liefhebber is van romantische gebaren.
Ondanks de teleurstelling en frustratie die Catullus ervaart door toedoen van Juventius, is het gedicht toch mooi. Je ziet hoe Catullus probeert een goede minnaar te zijn, maar wordt afgewezen en gemarteld, in figuurlijke zin. Hoewel hij niet letterlijk “hangend aan de top van het kruis gespietst” was, voelde hij alsof de daad van Juventius de ultieme vernedering was. Een kus stelen is een onschuldig gebaar, maar toch voelde Catullus zich gestraft als een weerzinwekkende slaaf.
Carmen 99
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | SVRRIPVI tibi, dum ludis, mellite Iuuenti, | IK STAL een kus van jou, honingzoete Juventius, terwijl je speelde, |
| 2 | suauiolum dulci dulcius ambrosia. | een kus zoeter dan zoet ambrozijn. |
| 3 | uerum id non impune tuli: namque amplius horam | Maar niet ongestraft; want ik herinner me hoe ik meer dan een uur |
| 4 | suffixum in summa me memini esse cruce, | gespietst hing aan de top van het kruis, |
| 5 | dum tibi me purgo nec possum fletibus ullis | terwijl ik mij bij jou verontschuldigde, maar met al mijn tranen |
| 6 | tantillum uestrae demere saeuitiae. | ook maar iets van jouw woede kon wegnemen; |
| 7 | nam simul id factum est, multis diluta labella | want zodra het gebeurd was, waste je je lippen schoon |
| 8 | guttis abstersisti omnibus articulis, | met veel water, en veegde ze af met al je vingers, |
| 9 | ne quicquam nostro contractum ex ore maneret, | opdat er geen besmetting van mijn mond zou achterblijven, |
| 10 | tamquam commictae spurca saliua lupae. | alsof mijn speeksel zo vies was als de urine van een wolvin. |
| 11 | praeterea infesto miserum me tradere amori | Bovendien haastte je je om je ongelukkige minnaar over te leveren aan de toornige Liefde, |
| 12 | non cessasti omnique excruciare modo, | en hem op alle manieren te martelen, |
| 13 | ut mi ex ambrosia mutatum iam foret illud | zodat die kus, veranderd van ambrozijn, |
| 14 | suauiolum tristi tristius elleboro. | nu bitterder was dan bitter nieskruid. |
| 15 | quam quoniam poenam misero proponis amori, | Aangezien je deze straf oplegt aan mijn ongelukkige liefde, |
| 16 | numquam iam posthac basia surripiam. | zal ik voortaan nooit meer kussen stelen. |
