Catullus 115 Vertaling
Inleiding
Catullus mag Mamurra niet en zijn bijnaam, Meneer de Penis, bewijst dat. Dit gedicht is vergelijkbaar met 114, waarin hij schrijft over Mamurra die land bezit, maar het niet kan beheren. Mamurra heeft volgens de dichter meerdere hectaren weiland. Hij heeft ook land dat bestemd is om te ploegen, maar volgens Catullus is de rest ervan zoutwater.
Catullus vergelijkt Mamurra vervolgens met Croesus, die ongelooflijk rijk was, maar een landgoed bezit dat gevuld is met allerlei soorten land. Croesus heeft land dat zich uitstrekt van de Hyperboreeers tot de Grote Zee. In regel zeven geeft Catullus commentaar op het wonder dat twee rijke mannen een aanzienlijke hoeveelheid land bezitten. Dan noemt hij hoe Mamurra het grootste wonder van allemaal is. Catullus zegt in de laatste regel van het gedicht dat Mamurra geen man is, maar een “monsterlijke dreigende penis”.
Volgens dit gedicht vindt Catullus dat Mamurra gevaarlijk is. Een dreigende penis zou iemand zijn die anderen penetreert, of dat nu seksueel is of op een andere manier. Dit lijkt Catullus te storen, die ook verbijsterd lijkt over hoeveel land Mamurra bezit. Croesus was een oude koning die het best bekend stond om zijn ongelooflijke rijkdom. Hij was zo rijk dat de ouden een gezegde hadden: als iemand rijk was, was hij zo rijk als Croesus. Mamurra is welvarend en kan wellicht zelfs met Croesus wedijveren.
Maar waar Croesus enig respect genoot, heeft Mamurra dat niet. In sommige van Catullus’ gedichten die verwijzen naar geslachtsorganen schrijft hij ze in speelse of sarcastische stijlen. In dit gedicht lijkt Catullus agressief van toon. Mamurra is niet in staat voor zijn land te zorgen, en hij lijkt niet in staat zich menselijk te gedragen. Als monsterlijke, dreigende penis is hij een gevaar voor de samenleving.
Carmen 115
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | MENTVLA habet instar triginta iugera prati, | Meneer de Penis heeft zo’n dertig morgen weiland, |
| 2 | quadraginta arui: cetera sunt maria. | veertig morgen akkerland: de rest is zoutwater. |
| 3 | cur non diuitiis Croesum superare potis sit, | Hoe kan hij er niet in slagen Croesus in rijkdom te overtreffen, |
| 4 | uno qui in saltu tot bona possideat, | hij die zoveel goede zaken bezit op een landgoed, |
| 5 | prata arua ingentes siluas saltusque paludesque | weiland, akkerland, uitgestrekte bossen en veegebieden en meren |
| 6 | usque ad Hyperboreos et mare ad Oceanum? | tot aan de Hyperboreeers en de Grote Zee? |
| 7 | omnia magna haec sunt, tamen ipsest maximus ultro, | Dit alles is wonderbaarlijk - maar hijzelf is het grootste wonder van alles, |
| 8 | non homo, sed uero mentula magna minax. | geen man zoals wij, maar een monsterlijke dreigende penis. |
