Catullus 68 Vertaling
Inleiding
Dit is een van de langste werken van de dichter, met 160 regels. Het gedicht behandelt verscheidene onderwerpen, en daarom geloven sommige geleerden dat het eigenlijk twee gedichten zijn. Het eerste stopt bij regel 40 en het tweede loopt van 41 tot het einde.
In de eerste regel lijkt het gedicht geschreven als een brief aan “u”, die uiteindelijk als Manius wordt aangesproken. Catullus schrijft over de dood van zijn broer in de eerste 40 regels en hoe de dood zijn geluk heeft vernietigd. De eerste 40 regels zijn tamelijk somber, met verscheidene verwijzingen naar zijn broer.
Het resterende deel van het gedicht is gericht aan Allius, een naam die klinkt als Alias — of een pseudoniem of een vriend. In het tweede deel van het gedicht maakt Catullus verscheidene toespelingen op de strijd bij Troje. Hij schrijft over de broers Castor en Pollux, wier zuster Helena (van Troje) was. Hij schreef ook over Laodamia en Protesilaus. Allen leden toen de strijd bij Ilium begon. Catullus weet ook nog een verwijzing naar Lesbia erin te vlechten wanneer hij schrijft over mooie godinnen die de drempels overschrijden van de huizen van de mannen die zij beminnen.
Catullus vergelijkt de dood van alle broers in Troje met de dood van zijn eigen broer. Die broers in Troje konden niet door hun familieleden worden begraven, en de broer van Catullus is te ver weg om door hem begraven te worden. Hij zet de metafoor voort in het derde deel, waarbij hij Paris’ hebzucht naar een lui leven als reden aanvoert waarom zoveel mannen (vooral broers die hebben liefgehad) moesten sterven.
Catullus verwijst ook naar namen die verband houden met Heracles, waaronder Amphitryon, Hebe en de Stymphalische vogels. Aan het einde van het gedicht verwijst hij naar Lesbia, die hij zijn Licht noemt, die het voor hem zoet maakt om te leven.
Carmen 68
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | QVOD mihi fortuna casuque oppressus acerbo | DAT U, neergedrukt door het lot en een bitter toeval, |
| 2 | conscriptum hoc lacrimis mittis epistolium, | mij deze met tranen geschreven brief stuurt, |
| 3 | naufragum ut eiectum spumantibus aequoris undis | om mij te vragen een schipbreukeling te helpen die door de schuimende golven van de zee op het strand is geworpen, |
| 4 | subleuem et a mortis limine restituam, | en hem te herstellen van de drempel van de dood, |
| 5 | quem neque sancta Venus molli requiescere somno | hem, die de heilige Venus niet laat rusten in een zachte slaap, |
| 6 | desertum in lecto caelibe perpetitur, | verlaten in zijn ongehuwde bed, |
| 7 | nec ueterum dulci scriptorum carmine Musae | noch vermaken de Muzen hem met de zoete poëzie van oude schrijvers, |
| 8 | oblectant, cum mens anxia peruigilat: | wanneer zijn angstige geest de wake houdt; |
| 9 | id gratum est mihi, me quoniam tibi dicis amicum, | dit is mij welkom, aangezien u mij uw vriend noemt, |
| 10 | muneraque et Musarum hinc petis et Veneris. | en bij mij komt voor de gaven van zowel de Muzen als de Liefde. |
| 11 | sed tibi ne mea sint ignota incommoda, Mani, | Maar opdat mijn problemen u niet onbekend blijven, Mani, |
| 12 | neu me odisse putes hospitis officium, | en opdat u niet denkt dat ik de plicht van een vriend moe ben, |
| 13 | accipe, quis merser fortunae fluctibus ipse, | laat mij u vertellen in welke golven van het lot ik zelf word overspoeld, |
| 14 | ne amplius a misero dona beata petas. | zodat u niet langer gaven van geluk zult vragen van iemand die ongelukkig is. |
| 15 | tempore quo primum uestis mihi tradita pura est, | In de tijd dat mij voor het eerst de witte toga werd gegeven, |
| 16 | iucundum cum aetas florida uer ageret, | toen mijn bloeiende jeugd de vrolijke lente vierde, |
| 17 | multa satis lusi: non est dea nescia nostri, | schreef ik genoeg vrolijke verzen; niet onbekend ben ik bij de godin |
| 18 | quae dulcem curis miscet amaritiem. | die met haar zorgen een zoete bitterheid vermengt. |
| 19 | sed totum hoc studium luctu fraterna mihi mors | Maar al mijn belangstelling hiervoor is door de dood van mijn broer weggenomen. |
| 20 | abstulit. o misero frater adempte mihi, | Ach, ongelukkige ik, die u heb verloren, mijn broer! |
| 21 | tu mea tu moriens fregisti commoda, frater, | U, broer, u hebt door uw dood mijn geluk verwoest; |
| 22 | tecum una tota est nostra sepulta domus, | met u is heel ons huis begraven. |
| 23 | omnia tecum una perierunt gaudia nostra, | Met u zijn al onze vreugden gestorven, |
| 24 | quae tuus in uita dulcis alebat amor. | die uw zoete liefde koesterde toen u nog leefde. |
| 25 | cuius ego interitu tota de mente fugaui | Door uw dood heb ik uit mijn gehele geest verbannen |
| 26 | haec studia atque omnes delicias animi. | deze bezigheden en alle genoegens van mijn hart. |
| 27 | quare, quod scribis Veronae turpe Catullo | En dus, wanneer u schrijft: “Het is geen eer voor Catullus om in Verona |
| 28 | esse, quod hic quisquis de meliore nota | te zijn, want hier verwarmen alle jonge mannen van betere stand |
| 29 | frigida deserto tepefactet membra cubili, | hun koude ledematen in het door u verlaten bed”; |
| 30 | id, Mani, non est turpe, magis miserum est. | dat, Mani, is eerder een ongeluk dan een schande. |
| 31 | ignosces igitur si, quae mihi luctus ademit, | U zult mij daarom vergeven als ik u die diensten niet verleen |
| 32 | haec tibi non tribuo munera, cum nequeo. | die het verdriet mij heeft ontnomen, daar ik daartoe niet in staat ben. |
| 33 | nam, quod scriptorum non magna est copia apud me, | Want wat betreft mijn gebrek aan schrijvers bij de hand: |
| 34 | hoc fit, quod Romae uiuimus: illa domus, | dat komt doordat ik in Rome leef: dat is mijn thuis, |
| 35 | illa mihi sedes, illic mea carpitur aetas; | daar is mijn verblijf, daar wordt mijn leven doorgebracht; |
| 36 | huc una ex multis capsula me sequitur. | wanneer ik hierheen kom vergezelt mij slechts één klein kistje uit de vele. |
| 37 | quod cum ita sit, nolim statuas nos mente maligna | En aangezien dit zo is, zou ik niet willen dat u oordeelt dat het aan een misgunnende geest ligt |
| 38 | id facere aut animo non satis ingenuo, | of aan een onedelmoedig gemoed, dat u niet heeft ontvangen |
| 39 | quod tibi non utriusque petenti copia posta est: | een overvloed van wat u vraagt van beide soorten: |
| 40 | ultro ego deferrem, copia siqua foret. | ik zou het ongevraagd hebben aangeboden, als ik zulke middelen had gehad. |
| 41 | Non possum reticere, deae, qua me Allius in re | IK KAN niet zwijgen, o godinnen, over de zaak waarin Allius |
| 42 | iuuerit aut quantis iuuerit officiis, | mij hielp en met hoe grote diensten hij mij hielp, |
| 43 | ne fugiens saeclis obliuiscentibus aetas | opdat de vliedende tijd met vergeetachtige eeuwen |
| 44 | illius hoc caeca nocte tegat studium: | niet in blinde nacht deze vriendelijke ijver van hem verberge. |
| 45 | sed dicam uobis, uos porro dicite multis | Maar aan u zal ik het vertellen; vertelt u het verder aan vele |
| 46 | milibus et facite haec carta loquatur anus. | duizenden en laat dit papier spreken in zijn ouderdom. |
| 47 | […] | [ontbrekende regel] |
| 48 | notescatque magis mortuus atque magis, | en laat hem beroemder worden in de dood, steeds beroemder; |
| 49 | nec tenuem texens sublimis aranea telam | en laat niet de spin die haar fijne web hoog weeft haar werk spreiden |
| 50 | in deserto Alli nomine opus faciat. | over de verwaarloosde naam van Allius. |
| 51 | nam, mihi quam dederit duplex Amathusia curam, | Want hoeveel hartenpijn de dubbelhartige godin van Amathus mij bezorgde, |
| 52 | scitis, et in quo me torruerit genere, | weet u, en op welke wijze zij mij verschroeide. |
| 53 | cum tantum arderem quantum Trinacria rupes | Toen ik zo hevig brandde als de Trinacrische rots |
| 54 | lymphaque in Oetaeis Malia Thermopylis, | en het Malische water bij de Oetaeische Thermopylae, |
| 55 | maesta neque assiduo tabescere lumina fletu | toen mijn droeve ogen niet ophielden met wegkwijnen door onophoudelijk geween, |
| 56 | cessarent. tristique imbre madere genae. | noch mijn wangen met een droevige regen nat waren. |
| 57 | qualis in aerii perlucens uertice montis | Zoals op de top van een luchtige berg |
| 58 | riuus muscoso prosilit e lapide, | een heldere stroom ontspringt uit een met mos begroeide rots, |
| 59 | qui cum de prona praeceps est ualle uolutus, | die, wanneer hij halsoverkop door de steile vallei is gestort, |
| 60 | per medium densi transit iter populi, | midden over de weg gaat die door veel volk wordt bewandeld, |
| 61 | dulce uiatori lasso in sudore leuamen, | een zoete verlichting voor de vermoeide reiziger in zijn zweet, |
| 62 | cum grauis exustos aestus hiulcat agros: | wanneer de drukkende hitte de verschroeide velden doet openbarsten; |
| 63 | hic, uelut in nigro iactatis turbine nautis | zoals voor zeelieden die door een zwarte stormwind worden geslingerd |
| 64 | lenius aspirans aura secunda uenit | een zachter ademende, gunstige bries komt, |
| 65 | iam prece Pollucis, iam Castoris implorata, | reeds door een gebed tot Pollux, reeds tot Castor afgesmeekt, |
| 66 | tale fuit nobis Allius auxilium. | zo was Allius een hulp voor ons. |
| 67 | is clausum lato patefecit limite campum, | Hij opende een breed pad over het omheinde veld, |
| 68 | isque domum nobis isque dedit dominae, | hij gaf ons een huis en hij gaf ons de meesteres, |
| 69 | ad quam communes exerceremus amores. | bij wie wij onze gemeenschappelijke liefdes konden beoefenen. |
| 70 | quo mea se molli candida diua pede | Daarheen stapte mijn schone godin met zachte tred, |
| 71 | intulit et trito fulgentem in limine plantam | en zette haar glanzende voetzool op de afgesleten drempel, |
| 72 | innixa arguta constituit solea, | terwijl zij steunde op haar tikkende sandaal; |
| 73 | coniugis ut quondam flagrans aduenit amore | zoals eertijds Laodamia, brandend van liefde voor haar echtgenoot, |
| 74 | Protesilaeam Laodamia domum | naar het huis van Protesilaus kwam, |
| 75 | inceptam frustra, nondum cum sanguine sacro | dat huis tevergeefs begonnen, toen nog niet met heilig bloed |
| 76 | hostia caelestis pacificasset eros. | een slachtoffer de hemelse Heren had verzoend. |
| 77 | nil mihi tam ualde placeat, Ramnusia uirgo, | Moge mij niets zozeer behagen, Maagd van Rhamnus, |
| 78 | quod temere inuitis suscipiatur eris. | dat onbezonnen tegen de zin van de Heren wordt ondernomen. |
| 79 | quam ieiuna pium desiderat ara cruorem, | Hoezeer het dorstige altaar smacht naar vroom bloed, |
| 80 | docta est amisso Laudamia uiro, | leerde Laodamia door het verlies van haar man, |
| 81 | coniugis ante coacta noui dimittere collum, | gedwongen om de hals van haar nieuwe echtgenoot los te laten, |
| 82 | quam ueniens una atque altera rursus hiems | voordat een en weer een tweede komende winter |
| 83 | noctibus in longis auidum saturasset amorem, | in lange nachten haar begerige liefde had verzadigd, |
| 84 | posset ut abrupto uiuere coniugio, | zodat zij zou kunnen leven na de plotselinge verbreking van haar huwelijk; |
| 85 | quod scibant Parcae non longo tempore abesse, | waarvan de Schikgodinnen wisten dat het niet ver weg was, |
| 86 | si miles muros isset ad Iliacos. | als hij als soldaat naar de muren van Ilium zou gaan. |
| 87 | nam tum Helenae raptu primores Argiuorum | Want toen was het dat door de roof van Helena de vooraanstaanden van de Argiven |
| 88 | coeperat ad sese Troia ciere uiros, | door Troje naar zich toe waren geroepen, |
| 89 | Troia (nefas!) commune sepulcrum Asiae Europaeque, | Troje (o gruwel!), het gemeenschappelijke graf van Azië en Europa, |
| 90 | Troia uirum et uirtutum omnium acerba cinis, | Troje, de bittere as van alle mannen en alle deugden, |
| 91 | quaene etiam nostro letum miserabile fratri | die ook aan mijn broer een deerniswekkende dood |
| 92 | attulit. ei misero frater adempte mihi | bracht. Ach, ongelukkige ik, broer van mij weggenomen, |
| 93 | ei misero fratri iucundum lumen ademptum, | ach, aan uw ongelukkige broer is het blijde licht ontnomen, |
| 94 | tecum una tota est nostra sepulta domus, | met u samen is heel ons huis begraven, |
| 95 | omnia tecum una perierunt gaudia nostra, | al onze vreugden zijn met u samen vergaan, |
| 96 | quae tuus in uita dulcis alebat amor. | die uw zoete liefde koesterde tijdens uw leven. |
| 97 | quem nunc tam longe non inter nota sepulcra | U, die nu zo ver weg, niet tussen bekende graven |
| 98 | nec prope cognatos compositum cineres, | noch bij de as van verwanten bijgezet bent, |
| 99 | sed Troia obscena, Troia infelice sepultum | maar begraven in het afzichtelijke Troje, in het ongelukkige Troje, |
| 100 | detinet extremo terra aliena solo. | houdt een vreemd land op verre bodem vast. |
| 101 | ad quam tum properans fertur undique pubes | Daarheen haastte zich toentertijd, zo zegt men, van overal de jeugd |
| 102 | Graecae penetralis deseruisse focos, | van Griekenland en verliet hun huiselijke haarden, |
| 103 | ne Paris abducta gauisus libera moecha | opdat Paris niet ongehinderd, zich verheugend in zijn geschaakte overspeelster, |
| 104 | otia pacato degeret in thalamo. | van zijn vrije tijd zou genieten in een vredig slaapvertrek. |
| 105 | quo tibi tum casu, pulcerrima Laudamia, | Door dat toeval werd u toentertijd, allerschoonste Laodamia, |
| 106 | ereptum est uita dulcius atque anima | ontrukt uw echtgenoot, die u dierbaarder was dan leven en ziel: |
| 107 | coniugium: tanto te absorbens uertice amoris | zozeer had de kolkende vloed van de liefde u meegezogen |
| 108 | aestus in abruptum detulerat barathrum, | en in de steile afgrond geworpen, |
| 109 | quale ferunt Grai Pheneum prope Cylleneum | zoals, naar de Grieken vertellen, nabij de Cylleense Pheneus |
| 110 | siccare emulsa pingue palude solum, | de vette bodem wordt drooggelegd door het moeras leeg te pompen, |
| 111 | quod quondam caesis montis fodisse medullis | dat eertijds, nadat het binnenste van de berg was weggehakt, gegraven zou zijn |
| 112 | audit falsiparens Amphitryoniades, | door de zoon van Amphitryon met zijn valse vader, |
| 113 | tempore quo certa Stymphalia monstra sagitta | in de tijd dat hij de Stymphalische monsters met een trefzekere pijl |
| 114 | perculit imperio deterioris eri, | neerschoot op bevel van een minderwaardige heer, |
| 115 | pluribus ut caeli tereretur ianua diuis, | opdat de poort van de hemel door meer goden zou worden betreden, |
| 116 | Hebe nec longa uirginitate foret. | en Hebe niet in langdurige maagdelijkheid zou blijven. |
| 117 | sed tuus altus amor barathro fuit altior illo, | Maar uw diepe liefde was dieper dan die afgrond, |
| 118 | qui tamen indomitam ferre iugum docuit. | die u toch leerde, hoewel ongetemd, het juk te dragen. |
| 119 | nam nec tam carum confecto aetate parenti | Want niet zo dierbaar is voor een door de leeftijd uitgeputte vader |
| 120 | una caput seri nata nepotis alit, | het hoofd van een kleinzoon die zijn enige dochter laat heeft gebaard, |
| 121 | qui cum diuitiis uix tandem iuuentus auitis | die, wanneer hij eindelijk nauwelijks verschenen is als erfgenaam van het voorvaderlijk bezit |
| 122 | nomen testatas intulit in tabulas, | en zijn naam in de geteste testamenten heeft geplaatst, |
| 123 | impia derisi gentilis gaudia tollens, | de goddeloze vreugde van de uitgelachen bloedverwant wegneemt, |
| 124 | suscitat a cano uolturium capiti: | en de gier verjaagt van zijn grijze hoofd; |
| 125 | nec tantum niueo gauisa est ulla columbo | noch verheugde zich ooit een duivin zozeer in haar sneeuwwitte |
| 126 | compar, quae multo dicitur improbius | partner, zij die naar men zegt veel onbeschaamder |
| 127 | oscula mordenti semper decerpere rostro, | voortdurend kusjes plukt met haar pikkende snavel, |
| 128 | quam quae praecipue multiuola est mulier. | dan de vrouw die bij uitstek wulps is. |
| 129 | sed tu horum magnos uicisti sola furores, | Maar u alleen hebt de grote hartstochten van dezen overtroffen, |
| 130 | ut semel es flauo conciliata uiro. | toen u eenmaal met uw goudharige echtgenoot was verenigd. |
| 131 | aut nihil aut paulum cui tum concedere digna | Aan wie toen mijn licht, die zich in onze schoot wierp, |
| 132 | lux mea se nostrum contulit in gremium, | waardig was niets of slechts weinig toe te geven, |
| 133 | quam circumcursans hinc illinc saepe Cupido | om wie Cupido, terwijl hij van hier naar daar rende, vaak |
| 134 | fulgebat crocina candidus in tunica. | schitterde, stralend wit in zijn saffraankleurige tuniek. |
| 135 | quae tamen etsi uno non est contenta Catullo, | En hoewel zij niet tevreden is met Catullus alleen, |
| 136 | rara uerecundae furta feremus erae | zullen wij de zeldzame slippertjes van onze ingetogen meesteres verdragen, |
| 137 | ne nimium simus stultorum more molesti. | opdat wij niet al te lastig zijn zoals dwazen. |
| 138 | saepe etiam Iuno, maxima caelicolum, | Zelfs Juno, de grootste van de hemelbewoners, |
| 139 | coniugis in culpa flagrantem concoquit iram, | bedwingt vaak haar brandende toorn over de schuld van haar echtgenoot, |
| 140 | noscens omniuoli plurima furta Iouis. | terwijl zij de zeer vele slippertjes van de allesbegeerende Jupiter kent. |
| 141 | atqui nec diuis homines componier aequum est, | En toch is het niet billijk dat mensen met goden worden vergeleken, |
| 142 | ingratum tremuli tolle parentis onus. | neem de ondankbare last van een bevende vader weg. |
| 143 | nec tamen illa mihi dextra deducta paterna | Want zij kwam niet tot mij door haar vaders rechterhand geleid |
| 144 | fragrantem Assyrio uenit odore domum, | naar een huis dat geurt naar Assyrische parfum, |
| 145 | sed furtiua dedit mira munuscula nocte, | maar zij gaf mij in de wonderlijke nacht haar heimelijke geschenkjes, |
| 146 | ipsius ex ipso dempta uiri gremio. | genomen uit de schoot van haar eigen echtgenoot zelf. |
| 147 | quare illud satis est, si nobis is datur unis | Daarom is het voldoende, als aan ons alleen de dag wordt gegeven |
| 148 | quem lapide illa dies candidiore notat. | die zij met een wittere steen merkt. |
| 149 | hoc tibi, quod potui, confectum carmine munus | Dit geschenk, dit in een gedicht vervatte werk, wordt aan u, |
| 150 | pro multis, Alli, redditur officiis, | Allius, voor uw vele diensten teruggegeven, naar mijn beste kunnen, |
| 151 | ne uestrum scabra tangat rubigine nomen | opdat niet deze en die dag, en weer een andere en weer een andere, |
| 152 | haec atque illa dies atque alia atque alia. | uw naam met schilferige roest mag aantasten. |
| 153 | huc addent diui quam plurima, quae Themis olim | Hieraan zullen de goden zeer veel toevoegen, de geschenken die Themis eertijds |
| 154 | antiquis solita est munera ferre piis. | aan de vromen van vroeger placht te brengen. |
| 155 | sitis felices et tu simul et tua uita, | Moogt u gelukkig zijn, zowel u als uw leven samen, |
| 156 | et domus illa in qua lusimus et domina, | en dat huis waarin wij speelden en de meesteres, |
| 157 | et qui principio nobis terram dedit aufert, | en hij die ons in het begin het land gaf [en wegneemt], |
| 158 | a quo sunt primo omnia nata bona, | van wie als eerste al die goede dingen zijn ontsproten, |
| 159 | et longe ante omnes mihi quae me carior ipso est, | en ver boven allen zij die mij dierbaarder is dan mijzelf, |
| 160 | lux mea, qua uiua uiuere dulce mihi est. | mijn licht, wier leven voor mij het leven zoet maakt. |
