Catullus 36 Vertaling
Inleiding
Wanneer Catullus poëzie schreef, schreef hij over mensen die hij mocht en niet mocht. In dit gedicht richt hij zich tot Volusius, die hij niet lijkt te mogen. Hij noemt de kronieken van Volusius “bepoept papier” of papier waarmee je uitwerpselen wegveegt.
Vervolgens verwijst hij naar de vrouw van wie hij houdt, Lesbia. Zij zwoer hem dat als hij weer haar minnaar zou worden en zou stoppen met het schrijven van zulke felle poëzie, zij Hephaestus “de manke god” de geschriften van andere dichters zou geven die hij in zijn ovens kon verbranden. Zij wilde dat de gedichten werden verbrand met vervloekt hout. In regel negen sprak Catullus over de slechtste gedichten, waarvan Catullus vindt dat het die van Volusius zijn. In regel 10 vertelt hij hoe zij dit als vrolijk spel aan de goden beloofde — dus er was geen mogelijkheid dat zij het over Catullus’ gedichten had als zijnde slecht genoeg om te verbranden.
Vervolgens verschuift Catullus de focus van het gedicht naar verschillende locaties waar Aphrodite, de godin van de liefde, zou kunnen wonen. Hij verwijst naar Aphrodite wanneer hij vertelt over Lesbia die hem haar liefde belooft. We weten dat dit de plaatsen zijn waar Aphrodite woont omdat het de plekken zijn waar de gelofte werd ontvangen en ingelost. Hij verwijst ook naar de geboorte van Aphrodite in regel 11, wanneer hij schrijft over hoe de blauwe zee haar baarde.
In regel 18 keert Catullus terug naar de kern van het gedicht — de gedichten die Lesbia wil verbranden. Maar in regel 19 spreekt hij over de bundel van plompe poëzie, geschreven op een ouderwetse en onhandige manier. Vervolgens eindigt hij het gedicht op dezelfde manier als hij het begon, terugverwijzend naar Volusius en zijn bepoept papier. Dit is een ongebruikelijk gedicht van Catullus omdat het niet past bij zijn andere werk. Geleerden zijn er niet in geslaagd het te categoriseren, behalve dat hij de eerste regel herhaalt als laatste regel.
Carmen 36
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | ANNALES Volusi, cacata carta, | Kroniek van Volusius, bepoept papier, |
| 2 | uotum soluite pro mea puella. | los een gelofte in namens mijn liefste; |
| 3 | nam sanctae Veneri Cupidinique | want zij zwoer aan de heilige Venus en aan Cupido |
| 4 | uouit, si sibi restitutus essem | dat als ik aan haar liefde werd teruggegeven, |
| 5 | desissemque truces uibrare iambos, | en ophield felle jamben te slingeren, |
| 6 | electissima pessimi poetae | zij aan de manke god de uitgelezen |
| 7 | scripta tardipedi deo daturam | geschriften van de slechtste dichter zou geven, |
| 8 | infelicibus ustulanda lignis. | om verbrand te worden met hout van een vervloekte boom: |
| 9 | et hoc pessima se puella uidit | en mijn meisje begreep dat dit de “slechtste gedichten” waren |
| 10 | iocose lepide uouere diuis. | die zij als vrolijk spel aan de goden beloofde. |
| 11 | nunc o caeruleo creata ponto, | Welnu dan, o gij die de blauwe zee baarde, |
| 12 | quae sanctum Idalium Vriosque apertos | die het heilige Idalium en het open Urii bewoont, |
| 13 | quaeque Ancona Cnidumque harundinosam | die verblijft in Ancona en rietrijk Cnidus |
| 14 | colis quaeque Amathunta quaeque Golgos | en in Amathus en in Golgi, |
| 15 | quaeque Durrachium Hadriae tabernam, | en in Dyrrhachium, het trefpunt van heel Hadria, |
| 16 | acceptum face redditumque uotum, | teken de gelofte aan als ontvangen en naar behoren ingelost, |
| 17 | si non illepidum neque inuenustum est. | zo zeker als het niet smaakloos noch onelegant is. |
| 18 | at uos interea uenite in ignem, | Maar ondertussen, kom jullie in het vuur, |
| 19 | pleni ruris et inficetiarum. | jullie bundel boersheid en onhandigheid, |
| 20 | annales Volusi, cacata carta. | kroniek van Volusius, bepoept papier. |
