Passer, deliciae meae puellae (Catullus 2)
(Lyrisch gedicht, Latijn/Romeins, ca. 60 v.Chr., 10/13 regels)
Inleiding
“Passer, deliciae meae puellae” (“Musje, lieveling van mijn meisje”) is een lyrisch gedicht van de Romeinse dichter Catullus, vaak aangeduid als “Catullus 2” of “Carmina II” naar zijn positie in de algemeen aanvaarde catalogus van Catullus’ werken. Het gedicht, dat de aanhankelijke, quasi-erotische relatie beschrijft tussen de geliefde van Catullus, Lesbia, en haar tamme mus, is een van zijn meest charmante en beroemdste, en dateert vermoedelijk van rond 60 v.Chr.
Samenvatting
De dichter richt zich tot het musje van zijn geliefde, waarmee zij vaak speelt en aanmoedigt om in haar vinger te pikken. Hij suggereert dat zij zoveel met het vogeltje speelt omdat ze hem mist. Hij wenst dat hij met de mus kon spelen zoals haar meesteres dat doet, zodat hij haar minder zou missen.
Analyse
“Catullus 2” is geschreven aan het tamme musje van Catullus’ geliefde, waarmee doorgaans Lesbia wordt bedoeld, een schuilnaam die hij in veel van zijn gedichten gebruikt voor Clodia (de echtgenote van de vooraanstaande Romeinse staatsman Clodius), met wie hij enige tijd een buitenechtelijke verhouding onderhield.
Het gedicht is geschreven in hendecasyllabische verzen, een door Catullus veelvuldig gebruikt metrum, waarbij elke regel elf metrische voeten telt. De voeten worden bepaald door lange en korte vormen van klinkers, in plaats van door beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen zoals in de Engelse poëzie.
De regels 1-10 vormen de bewaard gebleven kern van het gedicht. De regels 11-13, vaak aangeduid als “Catullus 2b”, wijken qua toon en onderwerp aanzienlijk af van de eerste 10 regels (ze verwijzen naar de Griekse mythe van de snelvoetige Atalanta) en behoren mogelijk zelfs tot een geheel ander gedicht, hoewel de meeste geleerden dit niet geloven. Het is ook mogelijk dat regels die de overgang tussen de twee delen overbrugden verloren zijn gegaan, en het debat over de volledigheid en eenheid (of het ontbreken daarvan) van de gedichten heeft op zichzelf al een aanzienlijke hoeveelheid literatuur voortgebracht.
Om de zaken nog ingewikkelder te maken: in de oorspronkelijke manuscripten was dit gedicht samengevoegd met “Catullus 3” (dat de dood van Lesbia’s mus beschrijft), maar de twee gedichten werden in de 16e eeuw n.Chr. door geleerden gescheiden. Alle gedichten van Catullus zijn uit de oudheid overgeleverd in drie kopieën van een enkel manuscript dat rond 1300 n.Chr. in Verona, Italië werd ontdekt, en het zou niet verwonderlijk zijn als na veertien eeuwen van kopiëren de tekst was aangetast.
“Catullus 2”, en het daaropvolgende “Catullus 3”, inspireerden een heel genre van gedichten over huisdieren van geliefden. Klassieke voorbeelden hiervan zijn de elegie van Ovidius op de dood van de papegaai van zijn minnares Corinna en het epigram van Martialis over een schoothondje. Vogels waren gangbare liefdesgeschenken in de klassieke wereld, en er is gespeculeerd dat Lesbia’s mus haar wellicht door Catullus was geschonken, wat de identificatie van de dichter met het musje zou kunnen verklaren.
De mus droeg ook een zekere erotische symboliek in de klassieke wereld, en het vogeltje kan in dit gedicht erotische bijbetekenissen hebben, hoewel Catullus over het algemeen niet terughoudend is in het bespreken van seks, zoals blijkt uit zijn vele obscene gedichten zoals “Catullus 16”. Sommigen hebben zelfs betoogd dat de genoemde mus een directe metafoor is, hetzij voor Catullus’ penis, hetzij voor Lesbia’s clitoris, en “passer” (“mus”) was in het Latijn mogelijk ook een plat woord voor “penis”.
Bronnen
- Latijns origineel en letterlijke Engelse vertaling (WikiSource)


