Catullus 60 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht vraagt Catullus zich af wie iemand heeft gebaard die hij hardvochtig en monsterlijk vindt. Catullus vraagt zich in de regels een en twee af of het een leeuwin was of Scylla. In regel vier noemt hij wat de verschrikkelijke persoon deed: de stem van een smekeling minachten. Vervolgens noemt hij in de vijfde regel de persoon wreedhartig.
Om het gedicht volledig te begrijpen, is het belangrijk te weten wat een smekeling is. Dit is iemand die een nederig verzoek doet. De smekeling richt zijn verzoek alleen tot iemand met macht. De smekeling kan een minnaar, een bedelaar of een eiser zijn. Deze termen hebben iets verschillende betekenissen, maar het afwijzen van iemand die smeekt kan als wreed worden beschouwd.
In de regels een en twee maakt Catullus toespelingen op een leeuw uit de Libische bergen en op Scylla. De leeuw uit Libië zou een verwijzing kunnen zijn naar de godin Libya, die geboren werd uit Epaphus en Cassiopeia. Zij trouwde uiteindelijk met Neptunus en samen kregen ze een zoon genaamd Busiris. De Egyptenaren hadden een hekel aan Busiris, die een tiran was. Hoewel Libya zelf geen leeuwin was, baarde ze wel een monsterlijke heerser die werd gedood door Heracles, die de huid van een leeuw droeg terwijl hij zijn werken voltooide. Busiris was een verschrikkelijke leider. Wanneer mensen hem bezochten, offerde hij hen aan de goden; hij was zonder twijfel monsterlijk.
Het andere monster, Scylla, was werkelijk een monster. Ze is het best bekend uit haar rol in het verhaal van Odysseus met haar partner Charybdis. Scylla is een monster met meerdere koppen, elk met een muil vol scherpe tanden. Ze loert boven op een berg waar ze wacht tot schepen langsvaren. Wanneer ze passeren, slaat ze toe en verslindt mannen van de dekken. De persoon die de smekeling afwees moet wel verschrikkelijk zijn.
Carmen 60
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | NVM te leaena montibus Libystinis | Was het een leeuwin uit de Libische bergen |
| 2 | aut Scylla latrans infima inguinum parte | of een Scylla uit haar schoot |
| 3 | tam mente dura procreauit ac taetra, | die jou baarde, jij die zo hardvochtig en monsterlijk bent |
| 4 | ut supplicis uocem in nouissimo casu | dat je de stem van een smekeling in zijn uiterste nood veracht, |
| 5 | contemptam haberes, a nimis fero corde? | ach, al te wreedhartige? |
