Catullus 64 Vertaling
Inleiding
Carmen 64 vertelt het verhaal van de reis van Theseus en zijn overwinning op de Minotaurus vanuit het gezichtspunt van het meisje. Het vers opent met een prachtige beschrijving van hoe de Argo was gemaakt van dennen die op de Pelion groeiden, en hoe, terwijl de Argonauten uitvoeren om het Gulden Vlies te halen, Peleus een glimp opving van Thetis, de zeenimf, waarna zij huwden. Uit die verbintenis werd Achilles geboren.
Achilles wordt niet specifiek bij naam genoemd in het gedicht. In plaats daarvan mijmert Catullus over hoe prachtig het was toen echtgenoten en echtgenotes trouw waren, en hoe het land bloeide. Nu, zo vervolgt hij, gaat het buiten het paleis niet goed. Maar binnen wordt desondanks een huwelijksbed opgemaakt voor een godin.
Dit gedeelte bereidt de scene voor op wat komen gaat en is een voorbode van de werkelijke actie. We beginnen bij het einde, met Ariadne eenzaam achtergelaten op de kust terwijl Theseus met zijn gezellen wegzeilt.
Ariadne is uit haar slaap ontwaakt om Theseus te zien wegvaren. Zij kan haar ogen niet geloven. Zij werpt haar sierlijke krans af. Zij scheurt haar gewaden. Zij is waanzinnig van verdriet en woede.
Ariadne heeft goede redenen om overstuur te zijn. Theseus was naar het rijk van koning Minos gekomen om de Minotaurus te verslaan, een monster dat elk jaar de bloem van de jonge mannen en maagden van het koninkrijk opeiste. Terwijl hij regelingen trof met de koning, ziet hij Ariadne. Zij wordt beschreven als een zeer jong meisje dat de zijde van haar moeder nog niet heeft verlaten. Maar wanneer zij Theseus ziet, ontwikkelt zij een verlangen naar hem. Als gevolg daarvan geeft zij hem een bol draad en vertelt hem hoe hij de Minotaurus kan verslaan.
Wanneer Theseus zegevierend tevoorschijn komt, verwacht zij dat zij zullen trouwen. Maar in plaats van zijn bruid mee te nemen, verlaat Theseus haar en zeilt weg.
Blijkbaar is Theseus een verschrikkelijk vergeetachtige jongeman. Hij laat niet alleen een meisje dat hij tot vrouw had genomen achter, hij vergeet ook een afgesproken teken met zijn vader. Als de onderneming succesvol was, zouden zij de zeilen op het schip vervangen door een andere kleur. Maar zij lieten de gewone witte zeilen hangen.
Toen zijn vader daarom de schepen zag naderen, vreesde hij het ergste. Hij kon de dood van zijn zoon niet onder ogen zien en wierp zich van de kantelen op de rotsige kust, waar hij omkwam.
Nu is het de beurt van Theseus om te lijden.
Catullus, de sluwe verhalenverteller die hij was, trekt nu de camera als het ware terug om zijn publiek een breder beeld te geven. Hij lijkt te spreken over de begrafenisstoet en over zelfzuchtige jeugd. Hij legt uit dat op de zoom van de beddenspreiding scenes uit de mythologie zijn geborduurd. Eerst komen de stervelingen, dan worden de goden in processie getoond — zo werden bruiloften eens bijgewoond.
Vervolgens schetst hij een scene met de Schikgodinnen, die spinnen, weven en het weefsel van sterfelijke aangelegenheden in de war brengen. Catullus sluit af door erop te wijzen dat wanneer mensen niet goed voor dingen zorgen — trouw zijn aan een echtgenoot, het juiste teken geven aan een vader — er veel dingen rampzalig misgaan. Nu, merkt hij op, bezoeken de goden niet langer bruiloften en andere feestdagen.
Carmen 64 is een van Catullus’ langere werken. Oppervlakkig beschouwd gaat het over het verlaten van Ariadne door Theseus en zijn verwaarlozing van fijnere details, zoals het hijsen van witte zeilen in plaats van de gekleurde zeilen van rouw. Een nadere beschouwing van het onderliggende thema onthult kritiek op de manier waarop Rome wordt bestuurd. Met andere woorden: Catullus wijst erop dat de Romeinse leiders de wegen van de rechtvaardigen hebben verlaten en hun eigen hartstochten en ambities botvieren ten nadele van het Romeinse volk. Aangezien hij schreef tijdens de turbulente dagen van Julius Caesars opkomst, toen politieke strijd gewelddadig werd en Rome tweemaal afbrandde, is het geen wonder dat hij wellicht een parallel trok met Theseus die Ariadne verliet.
Dit bijzondere Carmen is relatief subtiel vergeleken met sommige van zijn meer uitgesproken werken. Caesar werd eens gevraagd waarom hij Catullus niet liet executeren voor zijn brutaliteit. Caesar zou hebben gezegd dat hij hem waardeerde en vervolgens uit zijn werken hebben geciteerd. Of dit verhaal waar was of niet, het is duidelijk dat Catullus populair was in zijn eigen tijd. Belangrijker nog, zijn thema’s van hartstochtelijke liefde, verdriet, verlating en zijn hervertelling van klassieke thema’s hebben een universaliteit die op veel perioden in de geschiedenis kan worden toegepast.
Ondanks zijn vele openlijk seksueel expliciete verwijzingen, zoals “naakt tot aan de borsten”, hebben geletterde lieden van de Middeleeuwen (toen zijn werken werden herontdekt) tot op heden zijn werken met plezier gelezen. Misschien is dat omdat het tijdperk waarin hij schreef zo grondig is vastgelegd, geanalyseerd en bestudeerd gedurende de afgelopen tweeduizend jaar, of misschien omdat hij gewoon zo’n goede kenner van de menselijke natuur was.
Hoe bloemrijk, ingewikkeld en subtiel zijn poezie ook kan zijn, zelfs vanuit dit einde van de geschiedenis is het niet moeilijk om de naaldscherpe hekeldichten te ontwaren die verborgen zijn in de overdreven poetica. In dit gedicht wordt Theseus bijvoorbeeld niet afgeschilderd als een terugkerende held, maar als een jonge dwaas die het leven van een meisje ruineerde en vervolgens te onoplettend was om de zeilen van zijn schip te verwisselen, waardoor hij de dood van zijn eigen vader veroorzaakte. Zijn “triomf” wordt daarom een begrafenismars, en zijn bruiloft een onderliggende oorzaak van de val van Troje.
Het vergt niet al te veel verbeeldingskracht om een jeugdige Julius Caesar, ooit de lieveling van de massa’s, als een “moderne” Theseus te zien. Meer dan eens tartte hij de raad van Rome en verschoof voortdurend de grenzen van de Republiek totdat deze onder haar eigen gewicht begon te bezwijken. Ook zijn persoonlijke huishouding was niet zonder smet. Eerst weduwnaar, dan gescheiden, en ten slotte een derde keer getrouwd, had Julius duidelijk zijn romantische worstelingen. Bovendien lag hij vaak overhoop met de Romeinse Senaat en de belangrijkste raadslieden, in zodanige mate dat hij uiteindelijk de Romeinse burgeroorlog ontketende, soms Caesars Burgeroorlog genoemd.
Carmen 64
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | PELIACO quondam prognatae uertice pinus | DENNENBOMEN van weleer, geboren op de top van de Pelion, |
| 2 | dicuntur liquidas Neptuni nasse per undas | zouden door de heldere wateren van Neptunus hebben gezwommen |
| 3 | Phasidos ad fluctus et fines Aeetaeos, | naar de golven van de Phasis en de grenzen van Aeetes, |
| 4 | cum lecti iuuenes, Argiuae robora pubis, | toen de uitverkoren jongelingen, de bloem van de Argivische jeugd, |
| 5 | auratam optantes Colchis auertere pellem | verlangend het gouden vlies bij de Colchiërs weg te voeren, |
| 6 | ausi sunt uada salsa cita decurrere puppi, | het waagden de zoute zeeën te doorkruisen met een snel schip, |
| 7 | caerula uerrentes abiegnis aequora palmis. | de blauwe watervlakte vegend met sparen houten riemen. |
| 8 | diua quibus retinens in summis urbibus arces | Voor hen maakte de godin die de burchten op de stadstoppen bewaart |
| 9 | ipsa leui fecit uolitantem flamine currum, | eigenhandig de wagen die op een lichte bries voortvliegt, |
| 10 | pinea coniungens inflexae texta carinae. | de dennenhouten structuur van de gebogen kiel samenvoegend. |
| 11 | illa rudem cursu prima imbuit Amphitriten; | Dat schip bevoer als eerste de onervaren Amphitrite; |
| 12 | quae simul ac rostro uentosum proscidit aequor | zodra zij met haar boeg het winderige watervlak doorploegde |
| 13 | tortaque remigio spumis incanuit unda, | en de door de riemen opgewoelde golf wit werd van schuim, |
| 14 | emersere freti candenti e gurgite uultus | rezen uit de schuimende draaikolk van de zee de gezichten op |
| 15 | aequoreae monstrum Nereides admirantes. | van de zeenimfen, de Nereïden, zich verwonderend over het wonderlijke ding. |
| 16 | illa, atque alia, uiderunt luce marinas | Op die dag, en op geen andere, zagen stervelingen |
| 17 | mortales oculis nudato corpore Nymphas | met hun ogen de zeenimfen met ontbloot lichaam |
| 18 | nutricum tenus exstantes e gurgite cano. | oprijzen uit de grijze diepte, tot aan de borsten. |
| 19 | tum Thetidis Peleus incensus fertur amore, | Toen wordt Peleus gezegd te zijn ontbrand door liefde voor Thetis, |
| 20 | tum Thetis humanos non despexit hymenaeos, | toen versmaadde Thetis een menselijk huwelijk niet, |
| 21 | tum Thetidi pater ipse iugandum Pelea sensit. | toen meende de Vader zelf dat Peleus met Thetis verbonden moest worden. |
| 22 | nimis optato saeclorum tempore nati | O gij, in de al te zeer gewenste tijd der eeuwen geboren |
| 23 | heroes, saluete, deum genus! o bona matrum | helden, weest gegroet, geslacht der goden! o goede van moeders |
| 23 B | progenies, saluete iter<um, salvete bonarum> | nageslacht, weest nogmaals gegroet, weest gegroet van de goede |
| 24 | uos ego saepe, meo uos carmine compellabo. | u zal ik vaak, u zal ik in mijn gedicht toespreken. |
| 25 | teque adeo eximie taedis felicibus aucte, | En u vooral, zo uitnemend gezegend door gelukkige huwelijksfakkels, |
| 26 | Thessaliae columen Peleu, cui Iuppiter ipse, | steunpilaar van Thessalië, Peleus, aan wie Jupiter zelf, |
| 27 | ipse suum diuum genitor concessit amores; | de verwekker der goden zelf, zijn eigen geliefde overdroeg; |
| 28 | tene Thetis tenuit pulcerrima Nereine? | hield de allerschoonste Thetis, dochter van Nereus, u vast? |
| 29 | tene suam Tethys concessit ducere neptem, | stond Tethys u toe haar eigen kleindochter te huwen, |
| 30 | Oceanusque, mari totum qui amplectitur orbem? | en Oceanus, die met de zee de hele wereld omarmt? |
| 31 | quae simul optatae finito tempore luces | Zodra die gewenste dagen na het voltooien van de tijd |
| 32 | aduenere, domum conuentu tota frequentat | waren aangebroken, vult heel Thessalië het huis met een menigte, |
| 33 | Thessalia, oppletur laetanti regia coetu: | het paleis wordt gevuld met een blij gezelschap: |
| 34 | dona ferunt prae se, declarant gaudia uultu. | zij dragen geschenken voor zich uit, zij tonen hun vreugde op hun gezicht. |
| 35 | deseritur Cieros, linquunt Pthiotica Tempe | Cieros wordt verlaten, zij verlaten het Phthiotische Tempe |
| 36 | Crannonisque domos ac moenia Larisaea, | en de huizen van Crannon en de muren van Larissa, |
| 37 | Pharsalum coeunt, Pharsalia tecta frequentant. | in Pharsalus komen zij samen, de Pharsalische huizen vullen zij. |
| 38 | rura colit nemo, mollescunt colla iuuencis, | Niemand bewerkt de akkers, de nekken van de jonge ossen worden week, |
| 39 | non humilis curuis purgatur uinea rastris, | de laaggroeiende wijngaard wordt niet met gebogen harken geschoond, |
| 40 | non glebam prono conuellit uomere taurus, | de stier scheurt de aardkluit niet om met de diepgaande ploegschaar, |
| 41 | non falx attenuat frondatorum arboris umbram, | het snoeimes van de houthakkers dunt de schaduw van de boom niet uit, |
| 42 | squalida desertis rubigo infertur aratris. | ruwe roest verspreidt zich over de verlaten ploegen. |
| 43 | ipsius at sedes, quacumque opulenta recessit | Maar zijn eigen woning, hoever het rijke paleis zich ook |
| 44 | regia, fulgenti splendent auro atque argento. | uitstrekte, schittert door glanzend goud en zilver. |
| 45 | candet ebur soliis, collucent pocula mensae, | Het ivoor op de tronen licht wit op, de bekers op de tafel blinken, |
| 46 | tota domus gaudet regali splendida gaza. | het hele huis verblijdt zich, prachtig door koninklijke schatten. |
| 47 | puluinar uero diuae geniale locatur | Maar het huwelijksbed voor de godin wordt geplaatst |
| 48 | sedibus in mediis, Indo quod dente politum | midden in de vertrekken, gepolijst met Indische tand (ivoor), |
| 49 | tincta tegit roseo conchyli purpura fuco. | het wordt bedekt door purper, geverfd met de roze kleurstof van de zeeschelp. |
| 50 | haec uestis priscis hominum uariata figuris | Dit kleed, versierd met gestalten van mannen uit de oudheid, |
| 51 | heroum mira uirtutes indicat arte. | toont met wonderbaarlijke kunst de dapperheid van helden. |
| 52 | namque fluentisono prospectans litore Diae, | Want uitkijkend vanaf de door golven bespatte kust van Dia, |
| 53 | Thesea cedentem celeri cum classe tuetur | ziet zij Theseus wegzeilen met zijn snelle vloot, |
| 54 | indomitos in corde gerens Ariadna furores, | Ariadne, die ontembare waanzin in haar hart meedraagt, |
| 55 | necdum etiam sese quae uisit uisere credit, | en zij gelooft nog steeds niet dat zij ziet wat zij ziet, |
| 56 | utpote fallaci quae tum primum excita somno | omdat zij, die dan net pas uit een bedrieglijke slaap is gewekt, |
| 57 | desertam in sola miseram se cernat harena. | zichzelf ongelukkig en verlaten op het eenzame zand ziet. |
| 58 | immemor at iuuenis fugiens pellit uada remis, | Maar de vergeetachtige jongeling doorklieft op zijn vlucht het water met de riemen, |
| 59 | irrita uentosae linquens promissa procellae. | zijn loze beloften aan de winderige storm overlatend. |
| 60 | quem procul ex alga maestis Minois ocellis, | Naar hem staart de dochter van Minos van verre vanaf het zeewier met droeve ogen, |
| 61 | saxea ut effigies bacchantis, prospicit, eheu, | als een stenen beeld van een bacchante tuurt zij, helaas, |
| 62 | prospicit et magnis curarum fluctuat undis, | zij tuurt en golft mee op de grote golven van zorgen, |
| 63 | non flauo retinens subtilem uertice mitram, | niet langer de fijne hoofdband op haar goudblonde hoofd houdend, |
| 64 | non contecta leui uelatum pectus amictu, | niet met haar borst bedekt door haar lichte kleed, |
| 65 | non tereti strophio lactentis uincta papillas, | niet met haar melkwitte borsten door de gladde borstband gebonden, |
| 66 | omnia quae toto delapsa e corpore passim | dit alles, dat van haar hele lichaam was afgegleden, |
| 67 | ipsius ante pedes fluctus salis alludebant. | bespeelden de zoute golven voor haar eigen voeten. |
| 68 | sed neque tum mitrae neque tum fluitantis amictus | Maar op dat moment dacht zij niet aan haar hoofdband noch aan haar kleding, |
| 69 | illa uicem curans toto ex te pectore, Theseu, | met heel haar hart hing zij aan u, Theseus, |
| 70 | toto animo, tota pendebat perdita mente. | met heel haar ziel, met heel haar verloren geest. |
| 71 | misera, assiduis quam luctibus externauit | Ongelukkige, die Erycina met voortdurend verdriet verbijsterd heeft, |
| 72 | spinosas Erycina serens in pectore curas, | terwijl zij stekelige zorgen in haar borst zaaide, |
| 73 | illa tempestate, ferox quo ex tempore Theseus | in die tijd, vanaf het moment dat de onverschrokken Theseus |
| 74 | egressus curuis e litoribus Piraei | vertrokken van de gekromde kusten van Piraeus |
| 75 | attigit iniusti regis Gortynia templa. | de Gortynische paleizen van de onrechtvaardige koning bereikte. |
| 76 | nam perhibent olim crudeli peste coactam | Want men zegt dat Cecropia (Athene) eertijds door een wrede plaag gedwongen was |
| 77 | Androgeoneae poenas exsoluere caedis | als boete voor de moord op Androgeos |
| 78 | electos iuuenes simul et decus innuptarum | uitverkoren jongelingen en de bloem der ongehuwde maagden |
| 79 | Cecropiam solitam esse dapem dare Minotauro. | als voedsel aan de Minotaurus te geven. |
| 80 | quis angusta malis cum moenia uexarentur, | Toen de enge muren door deze rampen werden geteisterd, |
| 81 | ipse suum Theseus pro caris corpus Athenis | verkoos Theseus zijn eigen lichaam voor zijn dierbaar Athene |
| 82 | proicere optauit potius quam talia Cretam | op te offeren liever dan dat zulke doden van Cecropia, |
| 83 | funera Cecropiae nec funera portarentur. | die geen echte begrafenissen waren, naar Kreta zouden worden gebracht. |
| 84 | atque ita naue leui nitens ac lenibus auris | En zo, varend met een licht schip en zachte briesjes, |
| 85 | magnanimum ad Minoa uenit sedesque superbas. | kwam hij bij de moedige Minos en zijn trotse woningen. |
| 86 | hunc simul ac cupido conspexit lumine uirgo | Zodra de koninklijke maagd hem met begerige blik aanschouwde, |
| 87 | regia, quam suauis exspirans castus odores | die in haar kuise bedje, dat zoete geuren uitademde, |
| 88 | lectulus in molli complexu matris alebat, | in de zachte omhelzing van haar moeder werd opgevoed, |
| 89 | quales Eurotae praecingunt flumina myrtus | zoals mirtes de stromen van de Eurotas omringen |
| 90 | auraue distinctos educit uerna colores, | of een lentebries de bonte kleuren doet uitkomen, |
| 91 | non prius ex illo flagrantia declinauit | wendde zij haar brandende ogen niet van hem af, |
| 92 | lumina, quam cuncto concepit corpore flammam | voordat zij in haar hele lichaam vlam had gevat |
| 93 | funditus atque imis exarsit tota medullis. | en in haar diepste binnenste geheel was ontbrand. |
| 94 | heu misere exagitans immiti corde furores | Ach, gij die ongelukkigen met een meedogenloos hart in waanzin drijft, |
| 95 | sancte puer, curis hominum qui gaudia misces, | heilige knaap, die de vreugden van mensen met zorgen vermengt, |
| 96 | quaeque regis Golgos quaeque Idalium frondosum, | en gij, die over Golgi en het bosrijke Idalium heerst, |
| 97 | qualibus incensam iactastis mente puellam | op wat voor golven hebben jullie het brandende meisje in haar geest heen en weer geslingerd, |
| 98 | fluctibus, in flauo saepe hospite suspirantem! | terwijl zij vaak zuchtte om de goudblonde vreemdeling! |
| 99 | quantos illa tulit languenti corde timores! | Hoeveel angsten doorstond zij in haar kwijnende hart! |
| 100 | quanto saepe magis fulgore expalluit auri, | Hoe vaak werd zij bleker dan de glans van goud, |
| 101 | cum saeuum cupiens contra contendere monstrum | toen Theseus, verlangend om tegen het woeste monster te strijden, |
| 102 | aut mortem appeteret Theseus aut praemia laudis! | ofwel de dood ofwel de beloningen van de roem zocht! |
| 103 | non ingrata tamen frustra munuscula diuis | Toch waren de geschenkjes die zij vergeefs aan de goden beloofde |
| 104 | promittens tacito succepit uota labello. | niet onwelkom, terwijl zij haar geloften met zwijgende lippen deed. |
| 105 | nam uelut in summo quatientem brachia Tauro | Want zoals een eik die op de top van de Taurus zijn takken schudt |
| 106 | quercum aut conigeram sudanti cortice pinum | of een kegeldragende den met zwetende schors, |
| 107 | indomitus turbo contorquens flamine robur, | wanneer een ontembare wervelwind de stam met een rukwind verdraait, |
| 108 | eruit (illa procul radicitus exturbata | hem ontwortelt (hij valt ver weg, met wortel en al uitgetrokken, |
| 109 | prona cadit, late quaeuis cumque obuia frangens,) | voorover liggend, en breekt ver en breed alles wat hij tegenkomt,) |
| 110 | sic domito saeuum prostrauit corpore Theseus | zo wierp Theseus het woeste monster met bedwongen lichaam neer, |
| 111 | nequiquam uanis iactantem cornua uentis. | terwijl hij tevergeefs zijn hoorns naar de ijdele winden sloeg. |
| 112 | inde pedem sospes multa cum laude reflexit | Vandaar keerde hij ongedeerd en met veel lof terug, |
| 113 | errabunda regens tenui uestigia filo, | zijn dwalende treden sturend met een dunne draad, |
| 114 | ne labyrintheis e flexibus egredientem | opdat niet bij het naar buiten gaan uit de doolhofachtige bochten |
| 115 | tecti frustraretur inobseruabilis error. | de onwaarneembare verwarring van het gebouw hem zou misleiden. |
| 116 | sed quid ego a primo digressus carmine plura | Maar waarom zou ik, afwijkend van mijn eerste onderwerp, meer |
| 117 | commemorem, ut linquens genitoris filia uultum, | vermelden, hoe de dochter het gezicht van haar vader verliet, |
| 118 | ut consanguineae complexum, ut denique matris, | hoe de omhelzing van haar zus, en ten slotte die van haar moeder, |
| 119 | quae misera in gnata deperdita laeta | die om haar dochter treurde, verloren in verdriet, |
| 120 | omnibus his Thesei dulcem praeoptarit amorem: | en hoe zij boven dit alles de zoete liefde van Theseus verkoos: |
| 121 | aut ut uecta rati spumosa ad litora Diae | of hoe zij met een schip naar de schuimende kusten van Dia werd gevoerd |
| 122 | aut ut eam deuinctam lumina somno | of hoe haar echtgenoot haar, terwijl zij haar ogen in slaap had, |
| 123 | liquerit immemori discedens pectore coniunx? | bij zijn vertrek met vergeetachtig hart achterliet? |
| 124 | saepe illam perhibent ardenti corde furentem | Vaak, zo zegt men, heeft zij in haar brandende hart geraasd |
| 125 | clarisonas imo fudisse e pectore uoces, | en luid klinkende kreten uit het diepste van haar borst uitgestoten, |
| 126 | ac tum praeruptos tristem conscendere montes, | en dan weer de steile bergen droevig beklommen, |
| 127 | unde aciem pelagi uastos protenderet aestus, | vanwaar zij haar blik over de uitgestrekte baren van de zee liet gaan, |
| 128 | tum tremuli salis aduersas procurrere in undas | dan weer rende zij de golven van de kabbelende zoute zee tegemoet, |
| 129 | mollia nudatae tollentem tegmina surae, | het zachte kleed van haar ontblote kuit opheffend, |
| 130 | atque haec extremis maestam dixisse querellis, | en dat zij dit in haar laatste klachten bedroefd heeft gezegd, |
| 131 | frigidulos udo singultus ore cientem: | terwijl zij kille snikken uitstootte met haar vochtige gezicht: |
| 132 | ’sicine me patriis auectam, perfide, ab aris | ‘Hebt u mij zo van de vaderlijke altaren weggevoerd, trouweloze, |
| 133 | perfide, deserto liquisti in litore, Theseu? | trouweloze Theseus, en op het verlaten strand achtergelaten? |
| 134 | sicine discedens neglecto numine diuum, | Gaat u zo weg, de macht van de goden verwaarlozend, |
| 135 | immemor a! deuota domum periuria portas? | vergeetachtig, ach! en voert u de vervloekte meineed mee naar huis? |
| 136 | nullane res potuit crudelis flectere mentis | Kon niets de bedoeling van uw wrede geest buigen? |
| 137 | consilium? tibi nulla fuit clementia praesto, | Was er geen enkel medelijden bij u aanwezig, |
| 138 | immite ut nostri uellet miserescere pectus? | dat uw meedogenloze hart zich over ons wilde ontfermen? |
| 139 | at non haec quondam blanda promissa dedisti | Maar niet deze vleiende beloften hebt u eertijds met uw stem |
| 140 | uoce mihi, non haec miserae sperare iubebas, | aan mij gegeven, niet dit liet u mij ongelukkige hopen, |
| 141 | sed conubia laeta, sed optatos hymenaeos, | maar een gelukkig huwelijk, maar de gewenste huwelijkszang; |
| 142 | quae cuncta aereii discerpunt irrita uenti. | dit alles verscheuren de ijle winden nu vruchteloos. |
| 143 | nunc iam nulla uiro iuranti femina credat, | Laat nu voortaan geen enkele vrouw een zwerende man geloven, |
| 144 | nulla uiri speret sermones esse fideles; | laat niemand hopen dat de woorden van een man betrouwbaar zijn; |
| 145 | quis dum aliquid cupiens animus praegestit apisci, | zij, zolang hun geest ernaar verlangt iets te verkrijgen, |
| 146 | nil metuunt iurare, nihil promittere parcunt: | vrezen niets te zweren, zij sparen geen enkele belofte: |
| 147 | sed simul ac cupidae mentis satiata libido est, | maar zodra de lust van hun begerige geest verzadigd is, |
| 148 | dicta nihil metuere, nihil periuria curant. | vrezen zij hun woorden niet meer, zij geven niets om meineed. |
| 149 | certe ego te in medio uersantem turbine leti | Ik heb u immers, toen u zich midden in de draaikolk van de dood bevond, |
| 150 | eripui, et potius germanum amittere creui, | gered, en ik verkoos liever mijn broer te verliezen, |
| 151 | quam tibi fallaci supremo in tempore dessem. | dan u, bedrieger, in uw laatste uur in de steek te laten. |
| 152 | pro quo dilaceranda feris dabor alitibusque | Daarvoor zal ik aan de wilde dieren en de vogels worden gegeven om verscheurd te worden |
| 153 | praeda, neque iniacta tumulabor mortua terra. | als prooi, en als ik dood ben zal ik niet met aarde worden bedekt. |
| 154 | quaenam te genuit sola sub rupe leaena, | Wat voor leeuwin heeft u gebaard onder een eenzame rots, |
| 155 | quod mare conceptum spumantibus exspuit undis, | welke zee heeft u ontvangen en uitgespuwd uit haar schuimende golven, |
| 156 | quae Syrtis, quae Scylla rapax, quae uasta Carybdis, | welke Syrtis, welke roofzuchtige Scylla, welke uitgestrekte Charybdis, |
| 157 | talia qui reddis pro dulci praemia uita? | u die zulke beloningen teruggeeft voor uw zoete leven? |
| 158 | si tibi non cordi fuerant conubia nostra, | Indien een huwelijk met ons u niet na aan het hart lag, |
| 159 | saeua quod horrebas prisci praecepta parentis, | omdat u de wrede voorschriften van uw strenge vader vreesde, |
| 160 | attamen in uestras potuisti ducere sedes, | dan had u mij toch naar uw woning kunnen meenemen, |
| 161 | quae tibi iucundo famularer serua labore, | zodat ik u als slavin met aangename arbeid zou dienen, |
| 162 | candida permulcens liquidis uestigia lymphis, | uw witte voeten wassend met helder water, |
| 163 | purpureaue tuum consternens ueste cubile. | of uw bed bedekkend met een purperen kleed. |
| 164 | sed quid ego ignaris nequiquam conquerar auris, | Maar waarom zou ik tevergeefs klagen bij de onwetende winden, |
| 165 | externata malo, quae nullis sensibus auctae | verbijsterd door het onheil, zij die geen enkel gevoel hebben |
| 166 | nec missas audire queunt nec reddere uoces? | en de geuite woorden niet kunnen horen noch beantwoorden? |
| 167 | ille autem prope iam mediis uersatur in undis, | Hij bevindt zich intussen al bijna midden op de golven, |
| 168 | nec quisquam apparet uacua mortalis in alga. | en er verschijnt geen enkele sterveling op het verlaten zeewier. |
| 169 | sic nimis insultans extremo tempore saeua | Zo heeft het wrede lot, mij al te zeer bespottend in mijn laatste uur, |
| 170 | fors etiam nostris inuidit questibus auris. | ook winden aan mijn klachten misgund. |
| 171 | Iuppiter omnipotens, utinam ne tempore primo | Almachtige Jupiter, was het maar zo dat in de eerste tijd |
| 172 | Gnosia Cecropiae tetigissent litora puppes, | de schepen van Cecropia de Gnosiaanse kusten niet hadden bereikt, |
| 173 | indomito nec dira ferens stipendia tauro | en dat de trouweloze zeeman niet, de vreselijke schatting brengend |
| 174 | perfidus in Cretam religasset nauita funem, | voor de ontembare stier, zijn touw in Kreta had vastgemaakt, |
| 175 | nec malus hic celans dulci crudelia forma | en dat deze slechterik niet, wrede plannen verbergend achter een aangename vorm, |
| 176 | consilia in nostris requiesset sedibus hospes! | in onze woning als gast had gerust! |
| 177 | nam quo me referam? quali spe perdita nitor? | Want waarheen moet ik terugkeren? Op wat voor hoop steun ik verloren vrouw? |
| 178 | Idaeosne petam montes? at gurgite lato | Zal ik de bergen van de Ida opzoeken? Maar door de brede draaikolk |
| 179 | discernens ponti truculentum diuidit aequor. | scheidt het woeste watervlak van de zee ons. |
| 180 | an patris auxilium sperem? quemne ipsa reliqui | Zal ik hopen op de hulp van mijn vader? Hem die ik zelf heb verlaten, |
| 181 | respersum iuuenem fraterna caede secuta? | door een jongeman te volgen die bespat was met de moord op mijn broer? |
| 182 | coniugis an fido consoler memet amore? | Of zal ik mijzelf troosten met de trouwe liefde van mijn man? |
| 183 | quine fugit lentos incuruans gurgite remos? | Hij die vlucht, zijn buigzame riemen in de draaikolk krommend? |
| 184 | praeterea nullo colitur sola insula tecto, | Bovendien wordt het eenzame eiland door geen enkel dak bewoond, |
| 185 | nec patet egressus pelagi cingentibus undis. | er is geen uitgang open door de omringende golven van de zee. |
| 186 | nulla fugae ratio, nulla spes: omnia muta, | Er is geen manier om te vluchten, geen hoop: alles is zwijgend, |
| 187 | omnia sunt deserta, ostentant omnia letum. | alles is verlaten, alles toont de dood. |
| 188 | non tamen ante mihi languescent lumina morte, | Toch zullen mijn ogen niet eerder in de dood verslappen, |
| 189 | nec prius a fesso secedent corpore sensus, | en de zintuigen zullen niet eerder uit mijn vermoeide lichaam wijken, |
| 190 | quam iustam a diuis exposcam prodita multam | voordat ik, verraden, van de goden een rechtvaardige boete eis |
| 191 | caelestumque fidem postrema comprecer hora. | en de trouw van de hemelbewoners in mijn laatste uur afsmeek. |
| 192 | quare facta uirum multantes uindice poena | Daarom, gij die de daden van mannen met wrekende straf bestraffen, |
| 193 | Eumenides, quibus anguino redimita capillo | Eumeniden, wier voorhoofd, omkranst met slangenhaar, |
| 194 | frons exspirantis praeportat pectoris iras, | de woede uitdraagt van een ademende borst, |
| 195 | huc huc aduentate, meas audite querellas, | komt hierheen, komt hierheen, hoort mijn klachten, |
| 196 | quas ego, uae misera, extremis proferre medullis | die ik, ach ongelukkige, uit mijn diepste merg moet uiten, |
| 197 | cogor inops, ardens, amenti caeca furore. | hulpeloos, brandend, blind door waanzinnige woede. |
| 198 | quae quoniam uerae nascuntur pectore ab imo, | Aangezien deze werkelijk uit het diepst van mijn hart voortkomen, |
| 199 | uos nolite pati nostrum uanescere luctum, | wilt gij dan niet toestaan dat mijn verdriet vruchteloos blijft, |
| 200 | sed quali solam Theseus me mente reliquit, | maar moge Theseus met zo’n geest als waarmee hij mij alleen achterliet, |
| 201 | tali mente, deae, funestet seque suosque.’ | met zo’n geest, godinnen, zichzelf en de zijnen in het ongeluk storten.’ |
| 202 | has postquam maesto profudit pectore uoces, | Nadat zij deze woorden uit haar bedroefde borst had uitgestort, |
| 203 | supplicium saeuis exposcens anxia factis, | terwijl zij angstig om straf vroeg voor de wrede daden, |
| 204 | annuit inuicto caelestum numine rector; | knikte de heerser der hemelbewoners met zijn onoverwinnelijke macht; |
| 205 | quo motu tellus atque horrida contremuerunt | door die beweging beefden de aarde en de ruwe |
| 206 | aequora concussitque micantia sidera mundus. | zeeën, en de wereld deed de schitterende sterren schudden. |
| 207 | ipse autem caeca mentem caligine Theseus | Theseus zelf echter, met zijn geest omhuld door een blinde nevel, |
| 208 | consitus oblito dimisit pectore cuncta, | liet alle dingen uit zijn vergeetachtige borst glippen, |
| 209 | quae mandata prius constanti mente tenebat, | de bevelen die hij voorheen met standvastige geest bewaarde, |
| 210 | dulcia nec maesto sustollens signa parenti | en door geen aangename tekens voor zijn bedroefde vader te tonen, |
| 211 | sospitem Erechtheum se ostendit uisere portum. | liet hij niet zien dat hij behouden de Erechtheïsche haven bereikte. |
| 212 | namque ferunt olim, classi cum moenia diuae | Want men zegt dat Aegeus eertijds, toen hij zijn zoon met de vloot |
| 213 | linquentem gnatum uentis concrederet Aegeus, | bij het verlaten van de muren van de godin aan de winden toevertrouwde, |
| 214 | talia complexum iuueni mandata dedisse: | na een omhelzing de volgende bevelen aan de jongeman had gegeven: |
| 215 | ’gnate mihi longa iucundior unice uita, | ‘Mijn enige zoon, mij aangenamer dan een lang leven, |
| 216 | gnate, ego quem in dubios cogor dimittere casus, | mijn zoon, die ik gedwongen ben naar onzekere gevaren te laten vertrekken, |
| 217 | reddite in extrema nuper mihi fine senectae, | u die onlangs aan mij bent teruggegeven aan het uiterste einde van mijn ouderdom, |
| 218 | quandoquidem fortuna mea ac tua feruida uirtus | aangezien mijn lot en uw vurige dapperheid |
| 219 | eripit inuito mihi te, cui languida nondum | u aan mij ontrukken tegen mijn zin, aan wie mijn zwakke ogen |
| 220 | lumina sunt gnati cara saturata figura, | nog niet verzadigd zijn door de dierbare gestalte van mijn zoon, |
| 221 | non ego te gaudens laetanti pectore mittam, | ik zal u niet verblijd met een vrolijk hart laten vertrekken, |
| 222 | nec te ferre sinam fortunae signa secundae, | en ik zal u niet toestaan tekens van een gunstig lot te dragen, |
| 223 | sed primum multas expromam mente querellas, | maar eerst zal ik veel klachten uit mijn geest uiten, |
| 224 | canitiem terra atque infuso puluere foedans, | mijn grijze haren bevuilend met aarde en overgoten stof: |
| 225 | inde infecta uago suspendam lintea malo, | daarna zal ik geverfde zeilen aan uw dwalende mast hangen, |
| 226 | nostros ut luctus nostraeque incendia mentis | opdat het zeildoek, donker gemaakt door Iberisch blauw, |
| 227 | carbasus obscurata dicet ferrugine Hibera. | ons verdriet en de brand van onze geest zal aankondigen. |
| 228 | quod tibi si sancti concesserit incola Itoni, | Maar als zij die in het heilige Itonus woont, |
| 229 | quae nostrum genus ac sedes defendere Erecthei | die heeft ingestemd om ons geslacht en de woningen van Erechtheus |
| 230 | annuit, ut tauri respergas sanguine dextram, | te verdedigen, u toestaat uw rechterhand met het bloed van de stier te bespatten, |
| 231 | tum uero facito ut memori tibi condita corde | zorg er dan voor dat deze bevelen in uw geheugen gegrift |
| 232 | haec uigeant mandata, nec ulla oblitteret aetas; | blijven leven, en dat geen enkele tijd ze uitwist; |
| 233 | ut simul ac nostros inuisent lumina collis, | zodat zodra uw ogen onze heuvels aanschouwen, |
| 234 | funestam antennae deponant undique uestem, | de ra’s overal hun rouwkleed afleggen, |
| 235 | candidaque intorti sustollant uela rudentes, | en de gevlochten touwen witte zeilen hijsen, |
| 236 | quam primum cernens ut laeta gaudia mente | opdat ik dat zo snel mogelijk zie en met een blijde geest |
| 237 | agnoscam, cum te reducem aetas prospera sistet.’ | mijn vreugde herken, wanneer een voorspoedige tijd u behouden terugbrengt.’ |
| 238 | haec mandata prius constanti mente tenentem | Theseus, die deze bevelen voorheen met standvastige geest bewaarde, |
| 239 | Thesea ceu pulsae uentorum flamine nubes | verlieten hem echter zoals wolken, verdreven door een windvlaag, |
| 240 | aereum niuei montis liquere cacumen. | de ijle top van een besneeuwde berg verlaten. |
| 241 | at pater, ut summa prospectum ex arce petebat, | Maar zijn vader, terwijl hij vanaf de hoogste burcht uitzicht zocht, |
| 242 | anxia in assiduos absumens lumina fletus, | zijn angstige ogen uitputtend in voortdurend geween, |
| 243 | cum primum infecti conspexit lintea ueli, | zodra hij het zeildoek van het geverfde zeil zag, |
| 244 | praecipitem sese scopulorum e uertice iecit, | wierp hij zichzelf halsoverkop van de top van de rotsen, |
| 245 | amissum credens immiti Thesea fato. | gelovend dat Theseus door een meedogenloos lot was omgekomen. |
| 246 | sic funesta domus ingressus tecta paterna | Zo ontving de onverschrokken Theseus, bij het binnengaan van de rouwende |
| 247 | morte ferox Theseus, qualem Minoidi luctum | vaderlijke woning, zelf een even groot verdriet als hij door zijn |
| 248 | obtulerat mente immemori, talem ipse recepit. | vergeetachtige geest aan de dochter van Minos had berokkend. |
| 249 | quae tum prospectans cedentem maesta carinam | Zij, terwijl zij intussen bedroefd uitkeek naar het wegvarende schip, |
| 250 | multiplices animo uoluebat saucia curas. | wentelde in haar gewonde hart veelvoudige zorgen. |
| 251 | at parte ex alia florens uolitabat Iacchus | Maar in een ander deel vloog de bloeiende Iacchus (Bacchus) rond |
| 252 | cum thiaso Satyrorum et Nysigenis Silenis, | met de thiasos (stoet) van Satyrs en op Nysa geboren Silenen, |
| 253 | te quaerens, Ariadna, tuoque incensus amore. | u zoekend, Ariadne, en ontbrand door liefde voor u. |
| 254 | quae tum alacres passim lymphata mente furebant | Zij die dan overal opgewekt met een bezeten geest raasden |
| 255 | euhoe bacchantes, euhoe capita inflectentes. | ‘evoe!’ roepend, ‘evoe!’ terwijl zij hun hoofden schudden. |
| 256 | harum pars tecta quatiebant cuspide thyrsos, | Een deel van hen schudde met thyrsi met een bedekte punt, |
| 257 | pars e diuolso iactabant membra iuuenco, | een deel wierp de ledematen van een uiteengereten jonge os in het rond, |
| 258 | pars sese tortis serpentibus incingebant, | een deel omgordde zich met kronkelende slangen: |
| 259 | pars obscura cauis celebrabant orgia cistis, | een deel vierde duistere mysteriën met holle kistjes, |
| 260 | orgia quae frustra cupiunt audire profani; | mysteriën die de oningewijden tevergeefs wensen te horen; |
| 261 | plangebant aliae proceris tympana palmis, | anderen sloegen met opgeheven handen op tamboerijnen, |
| 262 | aut tereti tenuis tinnitus aere ciebant; | of brachten een fijn geklingel voort met glad brons; |
| 263 | multis raucisonos efflabant cornua bombos | bij velen bliezen de hoorns schor klinkende dreunen |
| 264 | barbaraque horribili stridebat tibia cantu. | en de barbaarse fluit schreeuwde met een vreselijk gezang. |
| 265 | talibus amplifice uestis decorata figuris | Rijkelijk versierd met zulke figuren omhulde het kleed |
| 266 | puluinar complexa suo uelabat amictu. | het huwelijksbed met zijn omhulsel. |
| 267 | quae postquam cupide spectando Thessala pubes | Nadat de Thessalische jeugd verzadigd was door er begerig naar te kijken, |
| 268 | expleta est, sanctis coepit decedere diuis. | begon zij plaats te maken voor de heilige goden. |
| 269 | hic, qualis flatu placidum mare matutino | Hier, zoals de Zephyrus de kalme zee met een ochtendbries |
| 270 | horrificans Zephyrus procliuas incitat undas, | doet rimpelen en de schuine golven opzweept, |
| 271 | Aurora exoriente uagi sub limina Solis, | terwijl Aurora opstijgt onder de drempels van de dwalende Zon, |
| 272 | quae tarde primum clementi flamine pulsae | de golven die eerst langzaam door de zachte bries voortgestuwd |
| 273 | procedunt leuiterque sonant plangore cachinni, | voortgaan en licht klinken met het geklots van gelach, |
| 274 | post uento crescente magis magis increbescunt, | daarna bij de toenemende wind steeds talrijker worden, |
| 275 | purpureaque procul nantes ab luce refulgent: | en van verre drijvend terugschitteren door het purperen licht: |
| 276 | sic tum uestibuli linquentes regia tecta | zo gingen zij toen weg, de koninklijke daken van de hal verlatend, |
| 277 | ad se quisque uago passim pede discedebant. | en ieder ging zijns weegs met dwalende voet. |
| 278 | quorum post abitum princeps e uertice Pelei | Na hun vertrek kwam als eerste van de top van de Pelion |
| 279 | aduenit Chiron portans siluestria dona: | Chiron, woudgeschenken dragend: |
| 280 | nam quoscumque ferunt campi, quos Thessala magnis | want alle bloemen die de velden dragen, die de Thessalische streek |
| 281 | montibus ora creat, quos propter fluminis undas | op de hoge bergen voortbrengt, die bij de golven van de rivier |
| 282 | aura parit flores tepidi fecunda Fauoni, | de vruchtbare bries van de warme Favonius voortbrengt, |
| 283 | hos indistinctis plexos tulit ipse corollis, | die bracht hij zelf, gevlochten in bonte kransen, |
| 284 | quo permulsa domus iucundo risit odore. | waardoor het huis, gestreeld door de aangename geur, lachte. |
| 285 | confestim Penios adest, uiridantia Tempe, | Onmiddellijk is Peneüs aanwezig, die het groene Tempe, |
| 286 | Tempe, quae siluae cingunt super impendentes, | Tempe, dat bovenhangende bossen omringen, |
| 287 | Minosim linquens doris celebranda choreis, | verlaat om door de Minosiërs gevierd te worden met Dorische dansen, |
| 288 | non uacuos: namque ille tulit radicitus altas | niet met lege handen: want hij bracht met wortel en al hoge |
| 289 | fagos ac recto proceras stipite laurus, | beuken mee en slanke lauweren met een rechte stam, |
| 290 | non sine nutanti platano lentaque sorore | niet zonder de wiegende plataan en de buigzame zus |
| 291 | flammati Phaethontis et aerea cupressu. | van de door vuur verteerde Phaethon en de hoge cipres. |
| 292 | haec circum sedes late contexta locauit, | Deze plaatste hij wijd en zijd om de woning heen, |
| 293 | uestibulum ut molli uelatum fronde uireret. | opdat de hal, bedekt met zachte bladeren, groen zou zien. |
| 294 | post hunc consequitur sollerti corde Prometheus, | Na hem volgt de vindingrijke Prometheus, |
| 295 | extenuata gerens ueteris uestigia poenae, | de vervaagde sporen dragend van zijn oude straf, |
| 296 | quam quondam silici restrictus membra catena | die hij eertijds, met zijn ledematen aan een rots vastgebonden met een ketting, |
| 297 | persoluit pendens e uerticibus praeruptis. | onderging, hangend aan de steile toppen. |
| 298 | inde pater diuum sancta cum coniuge natisque | Vandaar kwam de vader der goden met zijn heilige echtgenote en zijn zonen |
| 299 | aduenit caelo, te solum, Phoebe, relinquens | uit de hemel, u alleen, Phoebus, achterlatend |
| 300 | unigenamque simul cultricem montibus Idri: | en tegelijk uw enige zus, de bewoonster van de bergen van Idrus: |
| 301 | Pelea nam tecum pariter soror aspernata est, | want uw zus heeft Peleus evenzeer als u versmaad, |
| 302 | nec Thetidis taedas uoluit celebrare iugales. | en zij wilde de huwelijksfakkels van Thetis niet bijwonen. |
| 303 | qui postquam niueis flexerunt sedibus artus | Nadat zij hun ledematen op de sneeuwwitte rustbedden hadden neergevlijd, |
| 304 | large multiplici constructae sunt dape mensae, | werden de tafels overvloedig met een veelsoortige maaltijd gedekt, |
| 305 | cum interea infirmo quatientes corpora motu | terwijl intussen de Schikgodinnen, hun lichamen met een trillende beweging schuddend, |
| 306 | ueridicos Parcae coeperunt edere cantus. | begonnen hun waarzeggende gezangen te uiten. |
| 307 | his corpus tremulum complectens undique uestis | Een kleed dat hun trillende lichaam overal omhulde, |
| 308 | candida purpurea talos incinxerat ora, | wit met een purperen rand, had hun enkels omgord, |
| 309 | at roseae niueo residebant uertice uittae, | en op hun sneeuwwitte hoofd rustten roze hoofdbanden, |
| 310 | aeternumque manus carpebant rite laborem. | en hun handen verrichtten volgens de gewoonte de eeuwige arbeid. |
| 311 | laeua colum molli lana retinebat amictum, | De linkerhand hield het spinrok vast, dat met zachte wol was omwikkeld, |
| 312 | dextera tum leuiter deducens fila supinis | de rechterhand vormde dan de draden door ze lichtjes met de vingers naar boven |
| 313 | formabat digitis, tum prono in pollice torquens | te trekken, en door ze dan met de omlaag gerichte duim rond te draaien |
| 314 | libratum tereti uersabat turbine fusum, | deed zij de uitgebalanceerde spindel met zijn gladde schijf draaien; |
| 315 | atque ita decerpens aequabat semper opus dens, | en zo maakte zij het werk steeds gelijkmatig door het met de tanden af te plukken, |
| 316 | laneaque aridulis haerebant morsa labellis, | en afgebeten pluisjes wol bleven aan hun droge lippen kleven, |
| 317 | quae prius in leui fuerant exstantia filo: | pluisjes die eerst uit de gladde draad naar buiten staken: |
| 318 | ante pedes autem candentis mollia lanae | voor hun voeten echter bewaarden gevlochten mandjes |
| 319 | uellera uirgati custodibant calathisci. | de zachte vachten van glanzend witte wol. |
| 320 | haec tum clarisona pellentes uellera uoce | Terwijl zij deze vachten bewerkten, hebben zij met luid klinkende stem |
| 321 | talia diuino fuderunt carmine fata, | met een goddelijk lied de volgende lotsbestemmingen geuit, |
| 322 | carmine, perfidiae quod post nulla arguet aetas. | met een lied dat geen enkele tijd later van leugenachtigheid zal beschuldigen. |
| 323 | decus eximium magnis uirtutibus augens, | ‘O u die uw uitnemende roem vermeerdert door grote daden van dapperheid, |
| 324 | Emathiae tutamen opis, carissime nato, | beschermer van de Emathische macht, zeer geliefd om uw zoon, |
| 325 | accipe, quod laeta tibi pandunt luce sorores, | ontvang wat de zusters u op deze blijde dag onthullen, |
| 326 | ueridicum oraclum: sed uos, quae fata sequuntur, | het waarheidsgetrouwe orakel: maar loopt voort, gij spindels, de draden |
| 327 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | trekkend die door het lot worden gevolgd, loopt voort. |
| 328 | adueniet tibi iam portans optata maritis | Al gauw zal Hesperus tot u komen, die voor echtgenoten gewenste |
| 329 | Hesperus, adueniet fausto cum sidere coniunx, | geschenken brengt, al gauw zal uw echtgenote met een gunstig gesternte komen, |
| 330 | quae tibi flexanimo mentem perfundat amore, | die uw geest zal vervullen met zielveroverende liefde, |
| 331 | languidulosque paret tecum coniungere somnos, | en zich voorbereidt om met u een loom slaapje te doen, |
| 332 | leuia substernens robusto bracchia collo. | terwijl zij haar gladde armen onder uw sterke nek legt. |
| 333 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 334 | nulla domus tales umquam contexit amores, | Nooit heeft een huis zulke liefdes omvangen, |
| 335 | nullus amor tali coniunxit foedere amantes, | geen enkele liefde heeft geliefden met zo’n verbond verbonden, |
| 336 | qualis adest Thetidi, qualis concordia Peleo. | als de eendracht die er is voor Thetis en Peleus. |
| 337 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 338 | nascetur uobis expers terroris Achilles, | Voor u zal Achilles geboren worden, vrij van vrees, |
| 339 | hostibus haud tergo, sed forti pectore notus, | bij zijn vijanden niet bekend door zijn rug, maar door zijn dappere borst, |
| 340 | qui persaepe uago uictor certamine cursus | die heel vaak als overwinnaar in de dwalende wedstrijd van de renbaan |
| 341 | flammea praeuertet celeris uestigia ceruae. | de vurige treden van de snelle hinde zal voorbijstreeven. |
| 342 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 343 | non illi quisquam bello se conferet heros, | Geen enkele held zal zich in de oorlog met hem meten, |
| 344 | cum Phrygii Teucro manabunt sanguine | wanneer de Phrygische stromen zullen vloeien van Teucrisch bloed, |
| 345 | Troicaque obsidens longinquo moenia bello, | en de derde erfgenaam van de meineedige Pelops de Trojaanse |
| 346 | periuri Pelopis uastabit tertius heres. | muren zal verwoesten, ze belegerend met een langdurige oorlog. |
| 347 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 348 | illius egregias uirtutes claraque facta | Zijn uitnemende dapperheid en beroemde daden |
| 349 | saepe fatebuntur gnatorum in funere matres, | zullen moeders vaak erkennen bij de begrafenis van hun zonen, |
| 350 | cum incultum cano soluent a uertice crinem, | wanneer zij hun onverzorgde haar van hun grijze hoofd losmaken, |
| 351 | putridaque infirmis uariabunt pectora palmis. | en hun rimpelige borsten met hun zwakke handen bont zullen slaan. |
| 352 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 353 | namque uelut densas praecerpens messor aristas | Want zoals een maaier die de dichte korenaren afsnijdt |
| 354 | sole sub ardenti flauentia demetit arua, | onder de brandende zon de goudgele akkers afmaait, |
| 355 | Troiugenum infesto prosternet corpora ferro. | zo zal hij de lichamen van de zonen van Troje met zijn vijandige zwaard neermaaien. |
| 356 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 357 | testis erit magnis uirtutibus unda Scamandri, | De golf van de Scamander zal getuige zijn van zijn grote dapperheid, |
| 358 | quae passim rapido diffunditur Hellesponto, | die overal uitstroomt in de snelle Hellespont, |
| 359 | cuius iter caesis angustans corporum aceruis | wier loop hij zal versmallen met hopen van neergeslagen lichamen, |
| 360 | alta tepefaciet permixta flumina caede. | en zij zal de diepe rivieren warm maken, vermengd met de slachting. |
| 361 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 362 | denique testis erit morti quoque reddita praeda, | Ten slotte zal ook de buit die bij zijn dood wordt gegeven getuige zijn, |
| 363 | cum teres excelso coaceruatum aggere bustum | wanneer de ronde grafheuvel, opgehoopt tot een hoge dam, |
| 364 | excipiet niueos perculsae uirginis artus. | de sneeuwwitte ledematen van het neergeslagen meisje zal ontvangen. |
| 365 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 366 | nam simul ac fessis dederit fors copiam Achiuis | Want zodra het lot de vermoeide Achaiërs de gelegenheid geeft |
| 367 | urbis Dardaniae Neptunia soluere uincla, | de door Neptunus gebouwde muren van de Dardaanse stad los te maken, |
| 368 | alta Polyxenia madefient caede sepulcra; | zullen de hoge graven nat worden door de moord op Polyxena; |
| 369 | quae, uelut ancipiti succumbens uictima ferro, | zij die, als een slachtoffer dat bezwijkt voor het tweesnijdende zwaard, |
| 370 | proiciet truncum summisso poplite corpus. | haar onthoofde lichaam naar voren zal werpen met gebogen knie. |
| 371 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 372 | quare agite optatos animi coniungite amores. | Welaan dus, verbindt de gewenste liefdes van de geest. |
| 373 | accipiat coniunx felici foedere diuam, | Moge de echtgenoot de godin in een gelukkig verbond ontvangen, |
| 374 | dedatur cupido iam dudum nupta marito. | moge de bruid nu eindelijk aan haar begerige echtgenoot worden overgegeven. |
| 375 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 376 | non illam nutrix orienti luce reuisens | Wanneer haar voedster haar bij het opkomende licht weer opzoekt, |
| 377 | hesterno collum poterit circumdare filo, | zal zij haar nek niet meer kunnen omringen met de draad van gisteren; |
| 378 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort. |
| 379 | anxia nec mater discordis maesta puellae | noch zal haar angstige moeder bedroefd zijn om haar dochter die apart slaapt |
| 380 | secubitu caros mittet sperare nepotes. | en de hoop op dierbare kleinkinderen opgeven. |
| 381 | currite ducentes subtegmina, currite, fusi. | Loopt voort, gij spindels, de draden trekkend, loopt voort.’ |
| 382 | talia praefantes quondam felicia Pelei | Dit alles voorspellend hebben de Schikgodinnen eertijds de gelukkige |
| 383 | carmina diuino cecinerunt pectore Parcae. | liederen voor Peleus uit hun goddelijke borst gezongen. |
| 384 | praesentes namque ante domos inuisere castas | Want voorheen plachten de hemelbewoners de kuise woningen |
| 385 | heroum, et sese mortali ostendere coetu, | van de helden persoonlijk te bezoeken en zich te tonen aan de sterfelijke menigte, |
| 386 | caelicolae nondum spreta pietate solebant. | toen de vroomheid nog niet was versmaad. |
| 387 | saepe pater diuum templo in fulgente reuisens, | Vaak kwam de vader der goden in zijn schitterende tempel op bezoek, |
| 388 | annua cum festis uenissent sacra diebus, | wanneer de jaarlijkse offers op de feestdagen waren gekomen, |
| 389 | conspexit terra centum procumbere tauros. | en zag hij op de aarde honderd stieren neervallen. |
| 390 | saepe uagus Liber Parnasi uertice summo | Vaak dreef de dwalende Liber (Bacchus) op de hoogste top van de Parnassus |
| 391 | Thyiadas effusis euantis crinibus egit, | de Thyiaden voort, die met loshangende haren ‘evoe!’ riepen, |
| 392 | cum Delphi tota certatim ex urbe ruentes | wanneer de Delphiërs, die om het hardst uit de hele stad kwamen snellen, |
| 393 | acciperent laeti diuum fumantibus aris. | de god blij ontvingen met rokende altaren. |
| 394 | saepe in letifero belli certamine Mauors | Vaak heeft Mars in de dodelijke strijd van de oorlog, |
| 395 | aut rapidi Tritonis era aut Amarunsia uirgo | of de meesteres van de snelle Triton (Athene) of de Rhamnusische Maagd (Nemesis), |
| 396 | armatas hominum est praesens hortata cateruas. | aanwezig de gewapende troepen van mannen aangespoord. |
| 397 | sed postquam tellus scelere est imbuta nefando | Maar nadat de aarde doordrenkt was met afschuwelijke misdaad |
| 398 | iustitiamque omnes cupida de mente fugarunt, | en iedereen de rechtvaardigheid uit zijn begerige geest had verdreven, |
| 399 | perfudere manus fraterno sanguine fratres, | bespatten broers hun handen met het bloed van hun broer, |
| 400 | destitit extinctos gnatus lugere parentes, | hield de zoon op zijn overleden ouders te bewenen, |
| 401 | optauit genitor primaeui funera nati, | wenste de vader de dood van zijn zoon in de bloei van zijn leven, |
| 402 | liber ut innuptae poteretur flore nouercae, | opdat hij ongehinderd zou kunnen genieten van de bloem van een ongehuwde stiefmoeder, |
| 403 | ignaro mater substernens se impia nato | wierp de goddeloze moeder zich onder haar onwetende zoon |
| 404 | impia non uerita est diuos scelerare penates. | en was zij niet bang de goddelijke Penaten goddeloos te onteren. |
| 405 | omnia fanda nefanda malo permixta furore | Alle geoorloofde en ongeoorloofde dingen, vermengd door een slechte waanzin, |
| 406 | iustificam nobis mentem auertere deorum. | hebben de rechtvaardige geest van de goden van ons afgewend. |
| 407 | quare nec talis dignantur uisere coetus, | Daarom verwaardigen zij zich niet meer zulke bijeenkomsten te bezoeken, |
| 408 | nec se contingi patiuntur lumine claro. | en laten zij niet toe dat zij door het heldere licht worden aangeraakt. |

